De werven van Boele (II)

Door Jan Sepp, oktober 2020

In het eerste artikel over de werven van Boele heb ik het begin van de werven van Boele geschetst en ben ik dieper ingegaan op de werf van P. en C. Boele in Slikkerveer, die in 1854 is opgericht. In 1871 is die werf gesplitst. We hebben daarna de werf van de Weduwe C. Boele en Zn (1871 – 1925) gevolgd. Die werf lag eveneens in Slikkerveer, nog geen honderd meter verderop.
In dit artikel gaan we allereerst verder met de oorspronkelijke werf, die na 1871 de naam P. Boele Pzn krijgt. In 1896 komt daar een tweede werf bij: Boele en Pot in Bolnes. In 1915 gaan beide werven op in N.V. Boele’s Scheepswerven en Machinefabrieken, eerst in Slikkerveer en Bolnes, later alleen in Bolnes. Er was ook een kleine werf van een Boele in Alblasserdam, die komt ook in deze aflevering aan de orde.
De periode vanaf 1915 behandel ik in het derde deel van dit drieluik.

Inhoud

De werf van P. Boele Pzn, scheepsbouwmeester
Handwerk
Uitbreiding van de werf
Een nieuwe generatie: firma P. Boele Pzn
WACHT AM RHEIN VIII/Pieter Boele
Ruimtegebrek in Slikkerveer
Gebroeders Pot
Boele en Pot in Bolnes
Paternalisme
Boele en Pot: de tweede tien jaar
De Boeles in bonis
Nog een Boele werf, in Alblasserdam
Samenvatting
Bijlage: Scheepsmetingen

Een korte herhaling van het voorafgaande: In 1827 stierf Pieter Boelen Arieszoon (Azn) , koopman in Alblasserdam. Hij liet drie jongens na, Cornelis, Engel en Pieter, waarvan de jongste pas 9 maanden oud was.

Afb. Stamboom Boele
De gebroeders Boele en hun voorouders

Alle drie de jongens kwamen in het hout terecht: Engel werd molenmaker, Cornelis en Pieter Pzn1Pieters zoon. Als er kans bestaat op verwarring zet ik de eerste letter van de vader erbij. begonnen in 1854 een scheepswerf in Slikkerveer onder de firmanaam P. en C. Boele. Die werf bouwde eerst houten schepen, maar al in 1861 werd daar het eerste ijzeren stoomschip opgeleverd, de MAASNYMPH.

In 1870 stierf de oudste broer, Cornelis. Na zijn dood veranderde er eerst niets. Sterker nog, Pieter en de weduwe van Cornelis, Judith Tuk, lieten in 1870 vastleggen dat zij “de vennootschap continueeren, onder dezelfde firma.” Maar al snel ontstond er ruzie. Ik heb in het eerste artikel beschreven hoe Judith zich liet uitkopen en in 1871 een eigen werf begon: de Wed. C. Boele en Zonen.

Tot zo ver de samenvatting van de vorige aflevering.

De werf van P. Boele Pzn, scheepsbouwmeester

Pieter Boele gaat in 1871 dus alleen verder, onder de naam P. Boele Pzn, scheepsbouwmeester. De boedelscheiding lijkt hem niet bijzonder hard getroffen te hebben, het ene schip na het andere glijdt van de helling. Op 2 augustus 1871 wordt de schroefsleepboot FAMWIRKS te water gelaten, voor rekening van J. C. van Hattem & Co. te Sliedrecht.2NRC 4 augustus 1871 Al op 26 augustus volgt het ijzeren lichterschip WAAKZAAMHEID, voor rekening van Boutmy & Co. te Rotterdam.3NRC 28 augustus 1871. Meer over Boutmy &Co in het gemeentearchief Rotterdam Nog dezelfde dag wordt de kiel gelegd voor een Rijnschip, genaamd DE ZES GEZUSTERS, voor rekening van M. J. Masion & Zonen te Dordrecht.4NRC 28 augustus 1871. Steenkolenhandel M.J. Masion & Zn. Buitenwalevest 18 Dordrecht Op 6 september 1871 volgt de ijzeren schroefboot NANNY, voor rekening van H.L. Stasse te Dordrecht.5NRC 7 september 1871 Op 14 september volgt de schroefstoomboot CHARLOTTE, gebouwd voor rekening van F. Lenskens & Co., aannemers te Dordrecht. Vier schepen in een periode van zes weken! 6NRC 7 september 1871 Dan wordt het even stil, tot 21 februari 1872, als de ZES GEZUSTERS te water gaat.7NRC 22 februari 1872 Dan volgen er weer een aantal tewaterlatingen kort op elkaar. We weten uit de boedelscheiding van 1871 dat de werf twee hellingen bevatte.8Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 117, Aktenummer 1856 Kennelijk werden er meer schepen op dezelfde helling gebouwd, die dan achter elkaar, soms met maar een paar dagen ertussen, te water gelaten werden. Opvallend is dat Pieter Boele met veel minder machine- en ketelbouwers samenwerkt dan de Weduwe C. Boele en Zonen. Kon ik in het vorige artikel moeiteloos een lijstje van 12 machinebouwers opnoemen, Pieter Boele werkt, althans in deze periode, hoofdzakelijk samen met W. de Bruijn & Co. in Dordrecht en af en toe met Diepeveen, Lels & Smit in Kinderdijk.

Het is ook duidelijk dat de twee werven van Boele met elkaar concurreren. Zo was de “launching customer” voor de Weduwe C. Boele en Zonen de sleepdienst van de heer Van der Bout in Nijmegen. Zij bouwde in 1873 de NIJMEGENSCHE SLEEPDIENST No. III voor hem, en in 1875 de NIJMEGENSCHE SLEEPDIENST No. IV. Maar No. V, No. VI en No. VII worden in 1875, 1876 en 1877 gebouwd door P. Boele Pzn. Omgekeerd zagen we in het vorige artikel dat de werf van de Weduwe de werf van Pieter aftroefde bij de inschrijving voor de levering van twee “schroefbooten” voor de provincie Zeeland in 1910.9Notulen van vergadering van Vrijdag 18 november 1910 van Provinciale Staten van Zeeland, nr. 116, blz 91.

Pieter Boele stond erom bekend dat hij heel snel kon bouwen. Jaren later vertelt Leen Slikkerveer in zijn memoires over de scheepswerven van de Noord: “Men bouwde daar eens een rijnschip in de richting Zuid-Noord, doch om op te schieten werd, dwars op de kiellijn van dat schip, in de richting Oost-West een vóór- en een achterschip gebouwd en werd het middenschip eerst aangebracht toen het schip van Noord-Zuid, te water was. […] Ook heeft men daar eens een rijnschip van begin tot het einde in zes weken gebouwd.” 10L. Slikkerveer: “Scheepswerven en aanverwante bedrijven op het eiland IJsselmonde langs de Noord en de Maas van Dordt tot Rotterdam.” Ridderkerk 1934. Het boekje is in 2014 bewerkt door G. de Jong en opnieuw uitgegeven door de Stichting Oud-Ridderkerk. Blz. 43 Mooie sterke verhalen. Bonebakker, die schreef over de scheepsbouw rond 1900, verwoordde het als volgt: “Lage prijzen en korte levertijden geven den doorslag bij het verkrijgen van opdrachten. Daarop wordt dus het gehele bedrijf ingesteld. Goedkoop en snel bouwen.11Bonebakker, J.W.: “De Scheepsbouwnijverheid in Nederland”. Cahiers Nederlandsch Economisch Instituut, nr 16. Haarlem, de erven F. Bohn N.V. 1936. Blz. 13 Dat was bedoeld als algemene opmerking, maar het had op het lijf van Pieter Boele geschreven kunnen zijn. Hij verstond de tijdgeest kennelijk goed.

Handwerk

Leen Slikkerveer voegt aan zijn opmerkingen over de werf van Pieter Boele toe: “Tot plusminus 1864 ging alles daar nog met mankracht en het is verbazend, zoveel als daar werd afgeleverd.12Slikkerveer, Op. Cit. Slikkerveer schreef dat op in 1934, dus 70 jaar later, en hij kon zich kennelijk niet meer voorstellen dat op zo’n middelgrote werf alles nog op de hand ging, of op zijn best met paardenkracht. Joost van Beek, de chroniqueur van de latere werf van Boele in Bolnes vertelt dat Pieter in 1879 een locomobiel kocht, een verrijdbare stoommachine die met poelies diverse werktuigen kon aandrijven, zoals pons- en knipmachines voor ijzeren platen.13Beek, Joost van: “Boele Bolnes, het opgaan, blinken en verzinken van een dynamisch bedrijf”, Ridderkerk 1996 (de Ridderhof), ISBN 9080308315. Blz. 12 Die moest door de leverancier (Van Capellen) wel speciaal worden geïnstalleerd. Waarom een locomobiel en geen vaste stoommachine? Kon hij ook dienst doen als primitieve hijskraan? Hij werd in ieder geval niet gebruikt om de hellinglieren te bedienen. Daarvan zegt Van Beek expliciet dat dat tot 1922 handwerk bleef. 14Idem, blz. 15

Een locomobiel
Een locomobiel uit de jaren tachtig van de 19e eeuw. Het grote wiel rechtsboven is bedoeld om een riem aan te drijven. Daarmee (vaak met een uitgebreid riemensysteem) kon men andere werktuigen aansturen. Op de schoorsteen een vonkenvanger. Let op het juk rechts: verplaatsen ging met paardenkracht. Bron: Winkler Prins Encyclopedie, 1909.

Uitbreiding van de werf

Uit de notariële archieven van Ridderkerk blijkt dat Pieter als hij de kans kreeg land bijkocht. Zo koopt hij op 29 december 1859, als de werf van Pieter en Cornelis nog maar vijf jaar oud is, op persoonlijke titel, “[de] zogenaamde twaalf roeden zijnde griendland gelegen onder Ridderkerk aan het Slikkerveer“.15Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 97, Aktenummer 242. (Het archief van de Gemeente Ridderkerk wordt bewaard in het Stadsarchief in Rotterdam.) Was dat bedoeld als belegging in grond of om de werf uit te breiden? In het laatste geval, waarom deed Cornelis niet mee? Op 6 februari 1868 vinden we wederom zo’n onroerend goed transactie. Pieter koopt dan “een bouwmanswoning bestaande in woonhuis met annex schuur, afzonderlijk staande woon- en achterkeet, wagenkeet, zwingelkeet, drooghuis, drooghut, boomgaard, dijk-erf, gelegen te Ridderkerk in de polder Nieuw Reijerwaard aan het Slikkerveer. Het hoogst ingezet door de heer Pieter Boele, scheepsbouwmeester wonende te Ridderkerk op een som van 4300 gulden.16Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 1183, Aktenummer 114. Dat is dus binnendijks land. Ging het hem om de woning en het erf, of belegde hij zijn geld veilig in grond? In dezelfde transactie kocht hij nòg een kavel: “een huis bevattende vier vertrekken met loods en erf gelegen te Ridderkerk aan het Slikkerveer aan de Benedenrijweg. Het hoogst ingezet op een som van 690 gulden door Pieter Boele voornoemd.17Idem Zelfde vragen. We weten dat in de 20e eeuw de werf in Bolnes actief aan arbeidershuisvesting deed. Was dit het begin daarvan? Ook in 187318Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 119, Aktenummer 2269 en in 188619Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 150, Aktenummer 89 koopt Pieter stukken land. Opmerkelijk is dat Van Beek een grondtransactie uit 1880 noemt, waarna Boele een dwarshelling kon aanleggen. Die transactie kan ik niet in de notariële akten vinden, dus misschien kocht Boele dat land onderhands.20Van Beek, Op. Cit. pag. 12

Afb.: Portret Pieter Boele
Pieter Boele Pzn rond 1880, geschilderd door E.C. Arntzenius. Bron: Historische Vereniging Oud-Ridderkerk, nr. 1022.100.078 )

We komen Pieter in de notariële archieven ook in een heel andere capaciteit tegen. Vanaf tenminste 1859 tot en met 1861 is hij “kerkmeester der hervormde gemeente van Ridderkerk“. Eén van zijn taken is het jaarlijks verhuren21jawel, verhuren! van de banken vóór in de kerk. Dat is een serieuze aangelegenheid: een openbare zitting van de kerkeraad waar een notaris aan te pas komt.22Zie bijvoorbeeld de akte van 31 december 1860. Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 279, Aktenummer 99. Uit diezelfde akten blijkt dat Cornelis in sommige jaren wel een vaste bank huurt, maar nooit als kerkmeester is opgetreden. Twintig jaar later, in 1882, zien we Marinus Christinus, de oudste zoon van Cornelis (en dus een neef van Pieter Boele Pzn) optreden als kerkmeester.23Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 146, Aktenummer 7 De beide werven van Boele mochten dan met elkaar concurreren, de familieleden zagen elkaar wèl iedere zondag in de kerk!

Een nieuwe generatie: firma P. Boele Pzn

Op 23 juli 1887 overlijdt Pieter Boele, 60 jaar oud. Die generatie Boeles werd niet heel oud! Maar zijn zoons, Maarten Pieter en Pieter Cornelis, stonden klaar om de werf over te nemen. Beiden worden in de notariële akten dan al scheepsbouwmeester genoemd. We weten wederom niet veel van de jeugd van die jongens, maar alles wijst erop dat ze op de werf – of misschien meer in het algemeen in de scheepsbouw – waren opgeleid.

Pieter en zijn vrouw, Weijndina Zwartbol24Ze wordt in de stukken ook wel Wijndina, Weijndiena of Wijndiena genoemd, hebben zes kinderen gekregen, drie zoons (waarvan er een in 1859 dood geboren is) en drie dochters.25Parenteel Pieter Boele op de website Genealogie. In die tijd waren de jongens belangrijk voor het werk, de meisjes konden op zijn best “een goed huwelijk” sluiten. Nou, dat lukte de Boeles uitstekend. In onderstaande stamboom neem ik ook de dochters op, al was het alleen maar vanwege hun huwelijken. De oudste van de kinderen, Apolonia, bleef ongehuwd. De tweede, Maarten Pieter, trouwde op 22 november 1883 met Annigje Plonia den Ouden.26Parenteel Maarten Pieter Boele op de website Genealogie. Dat is interessant, want de vader van de bruid, Jan den Ouden, was óók werfeigenaar. Van een huwelijk komt een huwelijk: in september 1885 trouwde Jannetje Boele met Arie Nijs den Ouden, de broer van Annigje Plonia.27Parenteel Jannetje Boele op de website Genealogie. Maarten Pieter Boele was dus een dubbele zwager van Arie Nijs den Ouden: die was de broer van zijn vrouw en de man van zijn zus. Het wordt nog mooier: op 12 september 1889 vonden er op één dag twee huwelijken plaats: Pieter Cornelis Boele trouwde met Geertruida Anna van der Giessen, een dochter van de Van der Giessens die een grote werf hadden in de Stormpolder bij Krimpen aan den IJssel.28Parenteel Pieter Cornelis Boele op de website Genealogie. Op dezelfde dag trouwde de broer van Geertruida, Jan van der Giessen, met de zuster van Pieter Cornelis, Alida Johanna Boele.29Parenteel Alida Boele op de website Genealogie. Dus ook daar dubbele zwagers. De Van der Giessens spelen overigens verder geen rol in dit verhaal, maar Arie Nijs den Ouden moet u even onthouden, die komt zo terug. Al met al een echte scheepsbouwdynastie!30Men trouwde, zoals in de 19e eeuw vaak voorkwam, binnen de eigen sociale groep, die kennelijk heel strak afgebakend was: (succesvolle) scheepsbouwers. Interessant is dat er toch een forse rivier tussen Ridderkerk en Krimpen aan den IJssel ligt, maar dat was kennelijk geen bezwaar.

Afb.: Stamboom kinderen Pieter Boele Pzn
Stamboom met de kinderen van Pieter Boele Pzn .(Afb. Jan Sepp, CC BY-NC)

Pieter Boele Pzn heeft nooit afstand gedaan van de werf. Hij stierf in het harnas – wat ook weer niet zo vreemd was, hij was pas zestig. Maar de familie was kennelijk voorbereid: op 23 juli 1887 sterft Pieter, op 5 augustus wordt de boedelinventaris opgemaakt31Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 151, Aktenummer 61 en op 8 augustus gaan de broers Maarten Pieter en Pieter Cornelis een vennootschap aan “… ten doel hebbend het bouwen en herstellen van schepen en vaartuigen, met al hetgeen daaraan verbonden is. Dit op hun scheepswerf staande en gelegen te Ridderkerk aan het Slikkerveer.32Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 151, Aktenummer 63 Volgens die akte zijn beiden scheepsbouwmeester. Toch treedt er vanaf dat moment een fijn verschil op. Voorheen werd de werf aangeduid als P. Boele Pzn, scheepsbouwmeester33De laatste keer in de NRC van 21 juli 1887, bij de tewaterlating van het sleepschip RUHRORT XXI, na de dood van Pieter wordt de werf aangeduid als de firma P. Boele Pzn.34De eerste keer bij de tewaterlating van het schip RHEINSTEIN, zie de NRC van 2 september 1887.

Afgezien van de subtiele naamsverandering van de werf verandert er niet veel. De orders komen gestaag binnen, nu eens wat meer, dan weer wat minder, afhankelijk van de conjunctuur op de Rijnvaart. Er zijn een aantal min of meer vaste klanten. We zagen al eerder de Nijmegensche Sleepdienst die overstapte van de de Wed. C. Boele en Zonen naar P. Boele Pzn. Van Beek noemt Rederij Fendel uit Mannheim als grote klant. In de gegevens van de scheepsmetingsdienst komen we minstens even vaak de Badische A.G. für Rheinschiffahrt tegen, die later samenging met Fendel in Rederij Rhenus, in Frankfurt aan de Main.

WACHT AM RHEIN VIII/Pieter Boele

Een bijzondere plaats verdienen de sleepboten van de rederij Wacht Am Rhein. Alleen de naam al! In 1870 zijn alle Duitse staten verenigd onder Keizer Wilhelm de Eerste – of moet ik zeggen onder Bismarck?35Wikipedia. Het officiële volkslied werd “Heil dir im Siegerkranz”. Maar een aantal Duitse staten (en personen) waren helemaal niet zo blij met die eenwording en nog minder met het volkslied, dat wel èrg gericht was op de verheerlijking van de persoon van de keizer.36Wikipedia Dus zongen zij een alternatief lied, die Wacht am Rhein.37Overigens een buitengewoon anti-Frans lied! In de eerste helft van de 19e eeuw was Duitsland doodsbenauwd voor weer een Franse invasie, zoals onder Napoleon gebeurd was. Wikipedia Dat was dus een milde daad van verzet tegen het keizerrijk. Kennelijk hoorde J. Hütner, de eigenaar van een sleepdienst uit Büderich bij Wesel, tot die dissidente groep. Althans, hij noemde zijn sleepdienst (en zijn huis) Wacht Am Rhein.

Afb.: Villa Wacht am Rhein
De villa Wacht am Rhein in Büderich. Ansichtkaart uit 1905

Het ìs natuurlijk ook aardig om je huis met uitzicht op de Rijn, en je rederij die wacht op sleepopdrachten op de Rijn, zo te noemen. Tongue in cheek, zouden we tegenwoordig zeggen. Hoe dan ook, Hüttners sleepdienst was tot aan de Eerste Wereldoorlog heel succesvol op de Benedenrijn. En zo bestelde hij de ene na de andere sleepboot, die allemaal WACHT AM RHEIN met een nummer heetten. Ik kan niet vinden waar en wanneer de WACHT AM RHEIN nummer I gebouwd is, maar nummer II uit 187638NRC, 9 december 1876, nummer III uit 187739NRC, 27 september 1877 en nummer IV uit 1879.40NRC, 19 augustus 1897 zijn in de kranten terug te vinden. Volgens de bouwlijsten bij de Stichting Scheepshistorisch Onderzoek (S2HO)41U vindt ze op deze pagina van de werf van Boele stamt nummer V uit 1881, nummer VI uit 1883, nummer VII uit 1885 en nummer VIII uit 1893. Vanaf nummer II allemaal gebouwd bij P. Boele Pzn. in Slikkerveer. Over een trouwe klant gesproken!

Een aantal van die schepen vaart nog steeds, meestal onherkenbaar veranderd: ingekort, verlengd, gemotoriseerd, talloze keren van eigenaar gewisseld … noem maar op.42Zoek bij de Schepenlijst van Vereniging de Binnenvaart op “Wacht Am Rhein”. Geen wonder, na meer dan 120 jaar. Maar de WACHT AM RHEIN No. VIII uit 1893 is teruggebracht in (bijna) de oorspronkelijke staat. Tot 1919 is hij blijven varen voor Hüttner. Daarna is hij diverse malen verkocht en heeft hij andere namen gehad.43En de steenkolen werden vervangen door oliestook, maar het bleef een stoomschip. In 1970 is hij gekocht door de N.V. Boele’s Scheepswerven en Machinefabriek in Bolnes – beter bekend als Boele-Bolnes. In de loop van dit verhaal zullen we zien dat dat een directe afstammeling is van de firma P. Boele Pzn. Boele-Bolnes redde het schip van de sloop en heeft het zo goed mogelijk gerestaureerd naar de nieuwstaat.44Deels als opleidingsproject, deels als “stopwerk” (opvulling als er weinig werk was), deels als PR-project en, wat niemand durft te zeggen, deels uit hobbyisme. In 1972 kwam hij als directieboot van de werf weer in de vaart onder de naam PIETER BOELE , en trok meteen veel bekijks.45Nu ga ik even pedant doen. Er zijn veel websites die iets melden over de stoomsleepboot Pieter Boele. Een deel daarvan vermeldt de oorspronkelijke werf fout: de Weduwe C. Boele en Zn (nee, dat was juist de andere Boele), P. Boele en Zn (warm, maar heeft nooit bestaan), Boele Bolnes (bestond nog niet in 1893), Piet Smit Jr. (ook een concurrent) of zelfs Burgerhout en Co (de fabriek die de oorspronkelijke machines leverde). De juiste naam is dus Firma P. Boele Pzn. in Slikkerveer. Na het faillissement van Boele Bolnes hebben een aantal organisaties zich over het schip ontfermd en thans (2020) is het schip in beheer bij de stichting Dordt in Stoom. Hij is voor dagtochten te huur.

Afb.: Stoomsleepboot Pieter Boele
De Pieter Boele in de huidige staat (Foto: Vereniging Stoomvaart). Meer foto’s op de website van Dordt in Stoom en bij de Stichting tot Behoud van Authentieke Stoomvaartuigen en Motorsleepboten.

Ruimtegebrek in Slikkerveer

In het vorige artikel stelde ik dat de werven in Slikkerveer gemakkelijk konden schakelen tussen nieuwbouw en reparatie, en tussen de bouw (en reparatie) van zeeschepen en die van Rijnschepen. Maar uit de metingen en de bouwlijsten krijg ik de indruk dat de werf van P. Boele Pzn hoofdzakelijk, of zelfs uitsluitend, bouwde voor de Rijn- en binnenvaart. Dus de flexibiliteit om van meerdere markten thuis te zijn ontbrak in deze fase. Waarom? Het antwoord is simpel: ruimtegebrek.

Tussen 1870 en 1910 zien we een geweldige schaalvergroting in de Rijnvaart. Schepen werden langer, breder en kregen meer diepgang. De werf in Slikkerveer werd langzamerhand te klein voor de nieuwe generatie schepen. Bovendien was er, door de voortdurende bezetting van de hellingen voor nieuwbouw, eigenlijk geen mogelijkheid om scheepsreparaties uit te voeren, laat staan zeeschepen te bouwen. Nog meer land bij kopen was geen optie: de werf lag inmiddels ingeklemd tussen de werven van de Wed. C. Boele en Zn. aan de westkant, en die van Smulders aan de oostkant. De broers hadden twee opties: ergens anders helemaal opnieuw beginnen, of er een tweede werf bij nemen. Het werd het laatste.46Smulders kwam later ook in ruimtegebrek. Hij koos voor de eerste optie: radicaal opnieuw beginnen. Dat werd de werf Gusto, eerst alleen in Schiedam, later ook weer in Slikkerveer. Bron: Het digitale museum van de werf Gusto.

Gebroeders Pot

Het spijt me, ik moet alweer een familiegeschiedenis vertellen om de draad van mijn verhaal vast te houden. In een notedop: De familie Pot was óók een bekende naam in die omgeving. De “Potters”, zoals ze zichzelf noemden, kwamen oorspronkelijk uit Elshout (een buurtschap in Kinderdijk) waar ze al in 1750 een werf hadden. In het midden van de 19e eeuw vestigden twee broers uit die familie, Piet en Hendrik (of Hein), zich in Bolnes en zo ontstond daar de scheepswerf Gebroeders Pot. Een achterneef beschreef het in 1955 als volgt: “[T]wee zusters, Peternella, alias tante Pietje, en Julia [waren] met deze broers meegekomen. Want Piet en Hein Pot waren niet getrouwd en zijn ook ongetrouwd gebleven. Hun zaak bestaat heden ten dage [dus in 1955, JS] nog onder de oude naam van Gebrs. Pot, hoewel de latere firmanten uit de vrou­welijke lijn van tante Pietje zijn voortgeko­men.”47Frank Pot, “Fragmentarische Memoires der Potters”. Niet gepubliceerd, Vlaardingen 1955. In het Stadsarchief Vlaardingen, maar niet geïndexeerd. Met veel dank aan Sim Mostert die mij hier op wees. 48J. W. Bonebakker zegt zelfs dat de werf Gebroeders Pot al in 1813 in Bolnes gesticht zou zijn, maar zonder bronvermelding. Dat kan bijna niet kloppen, gezien de chronologie en gezien de memoires van Frank Pot. Ik houd het op de versie van Frank Pot en Sim Mostert. Bonebakker, J.W.: “De Scheepsbouwnijverheid in Nederland”. Cahiers Nederlandsch Economisch Instituut, nr 16. Haarlem, de erven F. Bohn N.V. 1936. Blz. 4 Tante Pietje (die overigens officeel Pietertje heette, en niet Peternella) was getrouwd met Jan den Ouden.49Parenteel Jan den Ouden op de website Genealogie. Toen de broers Piet en Hein overleden waren, werd Jan den Ouden de eigenaar van de werf, maar hij veranderde de naam niet. De kinderen van Jan den Ouden en Pietertje Pot waren Annigje Plonia den Ouden, die trouwde met Maarten Pieter Boele, en Arie Nijs den Ouden, die trouwde met Jannetje Boele. In 1895 overleed Jan den Ouden en Arie Nijs en Annigje erfden de werf. Ik vermoed dat Arie Nijs toen al enige tijd de feitelijke leiding had, want Jan den Ouden was in 1895 al 76 jaar oud.

Boele en Pot in Bolnes

Maarten Pieter en Pieter Cornelis Boele en hun zwager Arie Nijs den Ouden trekken al spoedig samen op. Zo is er een notariële akte uit 1888, waarin zij gezamenlijk zes arbeiderswoningen in Bolnes kopen.50Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 152, Aktenummer 29 In mei 1896 richten ze met zijn drieën de N.V. Maatschappij Schroefsleepboot ‘Trio‘ op.51Staatscourant 10 juli 1896, Naamloze Vennootschappen, No. 236 In de akte staat: “Het doel van de maatschappij is het voor eigen rekening exploiteeren en laten varen van nagemelde schroefsleepboot ‘Trio’ …“. De N.V. heeft een looptijd van 20 jaar, en die kan na afloop verlengd worden.52Idem, artikel 3. Zo lang dachten de zwagers het dus kennelijk wel met elkaar uit te houden. Hun werven zullen zakelijk geconcurreerd hebben maar ach, in die tijd was er werk genoeg.

Overigens blijven de broers Boele ook, net als eerder hun vader, in onroerend goed handelen. Bijvoorbeeld op 30 maart 1896 als ze een stuk buitendijks land kopen van hun moeder, Wijndina Zwartbol, die het land dus kennelijk als belegging gehouden had.53Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 160, Aktenummer 48 Of op 16 juli 1896, als ze onroerend goed ruilen met rederij Fop Smit.54Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 160, Aktenummer 55

Terug naar de werven. Kennelijk had de werf Gebr. Pot in Bolnes een soortgelijk probleem als de werf van de Boeles in Slikkerveer: geen goede reparatiehelling en geen ruimte om die aan te leggen. Al heel snel na de dood van Jan den Ouden besluiten de beide broers Boele en Arie Nijs om samen een nieuwe werf in Bolnes te stichten, die zich in het bijzonder met scheepsreparatie zou moeten bezighouden. En zo gaan ze op 16 juli 1896 gedrieën een vennootschap aan: “voor het exploiteren van een scheepshelling en timmerwerf, het bouwen en herstellen van schepen en vaartuigen.
De vennootschap zal gevestigd zijn te Bolnes, Ridderkerk, onder de naam ‘Boele en Pot’. Ingebracht worden: percelen boshakhout, rietland en water, ingericht tot scheepstimmerwerf en scheepshelling met gevolgen benevens arbeiderswoningen en een erf, te Bolnes, Ridderkerk.
55Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 160, Aktenummer 56

Afb.: Oprichtingsakte Boele en Pot
Eerste blad van de oprichtingsakte Boele en Pot, 16 juli 1896.

Dit was geen impulsieve aktie! We zagen al eerder dat de heren, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, land kochten dat ze konden inbrengen. Ook interessant: Maarten Pieter Boele financiert het deel van Arie Nijs den Ouden door twee hypotheken die de ooms van den Ouden (Hendrik en Pieter Pot dus) aangegaan zijn, over te nemen. Die hypotheken zijn “ten laste van de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Ridderkerk.” Ze worden pas op 24 februari 1912 finaal afgelost.56Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 181, Aktenummer 342 We mogen dus voorzichtig vaststellen dat de Boeles het (meeste) geld inbrengen, en Den Ouden het (meeste) land.

Opmerkelijk is dat de drie zwagers in mei 1896 voor die sleepboot ‘Trio’ een Naamloze Vennootschap oprichtten, met een looptijd van 20 jaar. Maar Boele en Pot wordt als firma opgericht (dus geen N.V., alle drie de deelnemers zijn privé aansprakelijk), en wel voor maar vijf jaar – met stilzwijgende verlenging van telkens een jaar. Kennelijk wil een of meer van de drie firmanten er na een paar jaar uit kunnen stappen. We zullen zien dat ze het 10 jaar samen volhouden.

Voor alle zekerheid: de firma Boele en Pot bestaat naast de werven van P. Boele Pzn in Slikkerveer en Gebroeders Pot in Bolnes. Beide werven draaien gewoon door. De werf Gebr. Pot in Bolnes sloot zijn deuren pas in 1967 – toen het bedrijf werd opgekocht door Boele-Bolnes. Het is dus ook niet zo dat er personeel wordt overgeheveld van de ene naar de andere werf. Integendeel, er wordt wijd en zijd geadverteerd voor nieuw personeel. Bijvoorbeeld in het Rotterdamsch Nieuwsblad, maar later zover weg als in de Middelburgse Courant en de Leeuwarder Courant.

Afb.: Advertentie IJzerwerkers
Annonce in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 4 november 1896.

Arie Nijs den Ouden heeft overigens meer ijzers in het vuur. Zo richt hij in 1899, dus drie jaar na de start van Boele en Pot, alweer een werf op: Scheepswerf De Koophandel in Slikkerveer.57Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 161, Aktenummer 54 Die speelt in dit verhaal geen rol.

Hoewel de gezamenlijke werf bedoeld was als reparatiewerf zien we dat er vrijwel onmiddelijk ook nieuwe schepen gebouwd werden. Het was in de periode 1896 – 1903 hoogconjunctuur in de Rijnvaart, dus er was kennelijk zoveel vraag naar scheepsruimte dat de drie werven gemakkelijk het werk onderling konden verdelen – en nu dus ook gezamenlijk reparatie-opdrachten konden aannemen. Joost van Beek vermeldt dat er meteen al in oktober 1896 twee lichters van stapel liepen.58Beek, Joost van: “Boele Bolnes, het opgaan, blinken en verzinken van een dynamisch bedrijf”, Ridderkerk 1996 (de Ridderhof), ISBN 9080308315, blz. 14 Volgens de bouwlijst was Van Beek daar iets te enthousiast, werfnummers 1 en 2 lopen in oktober 1897 van stapel.59U vindt de bouwlijsten op de website van de Stichting Scheepshistorisch Onderzoek (S2HO). Binnen de kortste keren vinden we weer een aantal vaste klanten voor de werf: de Badische A.G. für Rheinschiffahrt & Seetransport in Mannheim, die we eerder zagen als trouwe klant van de werf in Slikkerveer, werd kennelijk meegenomen naar de nieuwe werf; en de in 1903 opgerichte Nieuwe Rijnvaart Maatschappij, de binnenvaartdochter van de KNSM in Amsterdam, neemt in de eerste twintig jaar ook veel schepen af bij Boele en Pot.

Natuurlijk won de werf niet iedere inschrijving waar ze aan mee deed. Zo was er in 1902 een relletje in de Rotterdamse gemeenteraad: De gemeente had de bouw van een droogdok (“IJzeren Droogdok No. IV”) aanbesteed en die aanbesteding was gewonnen door het staalconstructiebedrijf August Klönne in Dortmund, voor een bedrag van 1.116.000 gulden. Boele en Pot was tweede, met een inschrijving van Fl 1.129,900, dus maar 14.000 gulden meer. De vraag was: moest de gemeente niet toch Boele en Pot de order gunnen, omdat dat een Nederlands bedrijf was en er misschien wel 500 arbeidsplaatsen gemoeid waren met deze order?60De Telegraaf, 22 juni 1902 Nou, die denkrichting sneden Burgemeester en Wethouders van Rotterdam snel de pas af: er werd meteen dezelfde avond nog beslist voor Klönne. De raad boos natuurlijk. B&W trokken deemoedig het boetekleed aan, maar ja, de vraag was formeel aan het verkeerde adres gericht (aan de raad en niet aan B&W); en eigenlijk zouden de Rotterdamse arbeiders nu beter af zijn, want Klönne zou alleen het ingenieurswerk uitvoeren en zou het eigenlijke werk laten doen door plaatselijke staalbedrijven. Zo zou het geld in Rotterdam blijven, en niet weglekken naar Ridderkerk.61Rotterdamsch Nieuwsblad, 27 juni 1902 Een dag later kwam de aap uit de mouw: Klönne had ondershands zijn inschrijving met nog eens 43.000 gulden verlaagd, op voorwaarde dat Rotterdam bij de fiscus zou bemiddelen dat er geen belasting over het dok betaald hoefde te worden.62Het Vaderland, 28 juni 1902 Hoezo handjeklap? Er is niets nieuws onder de zon!

Afb.: De straatkant van Boele en Pot
De werf van Boele en Pot, enkele jaren na de oprichting in 1896, van de rivier af gezien. Eén dwarshelling, maar wel vier schepen erop! (Fotograaf onbekend, bron: Historische Vereniging Ridderkerk, nr. 1022.100.040)

Overigens waagde ook Boele en Pot, net als de Wed. C. Boele en Zonen, zich aan de bouw van visserijloggers: als eerste de JOHANNA SATURNA II voor rederij Warneke in Vlaardingen.63Nieuwe Vlaardingsche Courant 18 februari 1903 (kiellegging) en 13 juni 1903 (te water lating) Kennelijk was dat begin 20e eeuw een veelbelovende markt! Er is in dezelfde periode tenminste nog één logger op de werf gebouwd, dit keer voor een opdrachtgever in IJmuiden,64Nieuwe Vlaardingsche courant 28-03-1903 maar net als bij de werf van de Weduwe bleven vissersschepen toch ook hier de uitzondering. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de werven van de familie Boele, die van de Weduwe aan de ene kant en die van de erven van Pieter Boele Pzn aan de andere kant, elkaar nauwkeurig in de gaten hielden. Wat de een deed, moest en zou de ander ook doen. Neem bijvoorbeeld dit korte stukje uit het “Nieuwsblad, gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard en IJselmonde” van 26 oktober 1904:

Bij de firma Boele en Pot alhier is in aanbouw een zeer groot rijnschip. Grooter is er alhier op geen enkele werf nooit een gebouwd. De inhoud moet worden 1200 last. De lengte wordt 100 M. en de breedte 12½ M.”

(Een last is 1926 kilo65Zie het lemma Last (Volume) in Wikipedia, dus het schip zou meer dan 2300 ton groot worden.) Wat zien we in het “Dagblad Scheepvaart” van 27 oktober 1906, dus bijna op de kop af twee jaar later?

Op de werf der firma C. boele te Slikkerveer zal voor een Duitse firma het grootste Rijnschip worden gebouwd dat tot dusver in de vaart is gebracht. Het schip heeft namelijk een lengte van 103 meter en krijgt 1300 last inhoudsmaat.

Toeval of kinnesinne? In ieder geval een duidelijke illustratie van de race naar steeds groter, waar overigens meer werven aan meededen.

Paternalisme

Je kunt zeker niet zeggen dat de werfeigenaren stuk voor stuk “kapitalistische uitzuigers” waren.66En dan beheers ik me nog. Het cliché bij de Communistische Partij Holland in die dagen was “volgevreten kapitalistische uitzuigers”. Ze keken wel uit! Ik haalde eerder in dit artikel al aan dat Boele en Pot tot in Middelburg en Leeuwarden moest adverteren om “bekwame ijzerwerkers” te werven. Als je die dan eenmaal in huis had, behandelde je ze niet als honden. De arbeidstijden waren niet beter of slechter dan die in andere industrieën: vijf dagen per week tien uur per dag werken en op zaterdag zes uur. Vakantie? Bestond niet, tot de Arbeidswet van 1889 eerst één, later drie dagen per jaar betaalde vakantie voorschreef.

Toch kreeg de werf van Boele en Pot al na een half jaar te maken met een korte staking:

Afb. Staking 1897
Artikeltje in het Nieuwsblad, gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard en IJselmonde 20-01-1897

Ondanks deze staking heb ik niet de indruk dat de directie de werknemers het vel over de oren haalde. Net als veel andere directeuren in die tijd waren de Boeles en Den Ouden paternalistisch: ze hadden het beste met hun werknemers voor, als goede vaders. Maar die werknemers moesten dan wel luisteren en gehoorzaam zijn, als goede kinderen. Wie zich aan die code hield zat goed bij Boele en Pot, en later bij Boele. Grote en kleine werkgevers waren als de dood voor rooien in hun bedrijf, die vlogen er snel weer uit, zoals uit bovenstaand artikeltje blijkt. Het betekende overigens niet dat de arbeiders zich slaafs lieten welgevallen wat de directie besloot. De verhoudingen waren subtieler dan dat. Kijk maar eens naar de zelfbewuste houding van alle mensen op onderstaande foto:

Afb. MC en PC Boele met hun voormannen, rond 1896
Maarten Pieter (links) en Pieter Cornelis (rechts) Boele met hun voormannen van de firma P. Boele Pzn rond 1895. Werknemers? Ja. Doetjes? Nee. (Foto uit het boek van Joost van Beek: Boele-Bolnes)

Die patriarchale houding kwam bij heel veel industriëlen voor – waarbij de opvattingen over vaderlijke zorg nog wel eens wilden verschillen. De arbeiders hadden niet heel veel rechten, maar als ze zich netjes gedroegen kregen ze extraatjes. Dan moesten ze zich wel dankbaar tonen! Typerend is deze, heel wat minder zelfbewuste, advertentie uit 1898:

Afb. Dankbetuiging
Annonce in de Vlaardinger Courant van 7 september 1898. Quizvraag: 31 augustus 1898? De kroningsdag van Koningin Wilhelmina!

Je zag in die dagen meer van dat soort advertenties, waaronder ook een van het personeel van de werf van de Wed. C. Boele en Zn67NRC, 6 september 1898, van het personeel van de Gebroeders Pot, van het personeel van Diepeveen, Lels en Smit in Kinderdijk… . Kennelijk was een en ander onderling doorgesproken.

Eerder zagen we al dat de Boeles regelmatig onroerend goed met daarop arbeiderswoningen kochten. Nou maak ik me geen enkele illusie: als die grond nodig was voor de uitbreiding van de werf, zullen die huizen zeker tegen de vlakte gegaan zijn. Maar de woningen die er toch al stonden werden ongetwijfeld gebruikt om er werfarbeiders in te huisvesten – en ze ook op die manier aan het bedrijf te binden. Daarnaast werden er ook arbeiderswoningen nieuw gebouwd. De oudste bouwaanvraag van de Boeles die ik vinden kon is nog van Pieter Boele zelf uit 1875 – die werd overigens afgewezen, omdat de buitenmaten van de nieuw te bouwen woningen weliswaar aan de eisen voldeden, maar … “de binnen betimmering [is] maar 14,60 m2 en niet 15 m2 gelijk de Verordening voorschrijft“.68Rapport deskundigen over de bouw van 4 arbeiderswoningen voor P. Boele Pzn, 28 juli 1875. Stadsarchief Rotterdam, Toegang 1270, bouwvergunningen 1874-1887, Inventarisnummer 1673, Aktenummer 6 Kennelijk lukte het later wel, want volgens Joost van Beek bezat Boele “op een gegeven moment” zo’n 800 arbeiderswoningen.69Joost van Beek, 1996, pagina 15. Zoals gebruikelijk onderbouwt hij dit getal nergens.

Nog een voorbeeld, uit een heel andere hoek. In het “Nieuwsblad, gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard en IJselmonde” van 24 juni 1903 staat dit verslagje:

Afb.: Krantenartikel Brand Boele en Pot
(Bron: Nieuwsblad, gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard en IJselmonde 24-06-1903)

De Vlaardingsche Courant is wat vriendelijker over de (vrijwillige) brandweer:

Afb. Vlaardingsche Courant over de brand van 1903
(Bron: Nieuwe Vlaardingsche Courant, 24-06-1903)

Om te beginnen zien we dat er dus kennelijk nóg twee vissersboten op de hellingen bij Boele en Pot lagen. Voor reparatie of nieuwbouw? Ten tweede: het gereedschap van veel werklieden is verbrand. In die tijd was het gebruikelijk dat iedere timmerman een, vaak zelfgemaakte, timmerkist met daarin zijn eigen (hand-)gereedschap meebracht. De timmerlieden waren dus al hun gereedschap kwijt. De prijs die genoemd wordt (tussen de 70 en de 150 gulden) lijkt mij heel hoog: de huur van een arbeiderswoning was in die periode twee gulden per week. Maar dat het een gevoelige slag was staat buiten kijf. Groot moet dan ook de opluchting geweest zijn toen de werf de schade vergoedde:

Afb. Dankbetuiging na de brand
Deze advertentie verscheen in zowel de Nieuwe Vlaardingsche Courant als in het Nieuwsblad, gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard en IJselmonde van 8 augustus 1903.

Dat was de werf zeker niet verplicht geweest te doen! Opvallend overigens dat er op een werf die stalen schepen maakte en repareerde nog 18 timmerlieden werkten. Er zat nog altijd veel houtwerk aan de toenmalige schepen: buikdenningen (de vloeren in het ruim), wegering (de ruimbetimmering), luikenkappen (de afdichting van het ruim tegen regenwater) en natuurlijk de betimmering van de roef en van de woning van de schippersfamilie.

Ten derde: dit verhaal had een vermakelijk staartje. Nog wekenlang woedde er in het Nieuwsblad een polemiek over de vrijwillige brandweer èn over de nachtwaker, die bij de brand niet erg tijdig uitgerukt lijken te zijn. “Een Belanghebbenden” (zo staat het er, mèt die “n”) vraagt zich af waarom die lui eigenlijk betaald worden als ze toch niets uitrichten. Dat laat de “klapperman van Bolnes” zich niet aanleunen. Hij was misschien wat laat, maar hij heeft wel degelijk gewaarschuwd. “Ware hij van een flink alarmsignaal voorzien geweest, dan zou hij zeker geheel Bolnes wakker geblazen hebben. Nu kon hij niet meer doen dan hier en daar een flinken stomp op deur of venster geven.70Nieuwsblad, gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard en IJselmonde 25-07-1903 Enfin, die polemiek gaat nog een tijdje heen en weer. Die generatie had Twitter helemaal niet nodig, ze konden ook prima ruzieën via de krant. Maar ik neem aan dat de directie van Boele en Pot toch even over brandbestrijding en -beveiliging heeft nagedacht.

Boele en Pot: de tweede tien jaar

We zagen eerder dat firma Boele en Pot door de beide broers Boele en hun zwager Den Ouden werd opgericht voor vijf jaar, met stilzwijgende verlenging van telkens een jaar. Kennelijk was het niet de bedoeling dat de verhoudingen eeuwig zo zouden blijven. In 1905 was het zover: Arie Nijs den Ouden trok zich terug als actieve firmant.71Joost van Beek, blz 21 In dit geval was er vrijwel zeker geen sprake van ruzie, het zat bij de oprichting van de firma al ingebakken. Opmerkelijk is dat er van het terugtreden van Den Ouden geen notariële akte is opgemaakt, noch is de bestaande akte aangepast.72De enige die het terugtreden van Den Ouden noemt is Joost van Beek. Die kon over het archief van de werf beschikken, dus ik neem aan dat het daarin ergens beschreven staat. Maar een primaire bron is niet terug te vinden. Kennelijk is onderling afgesproken dat Maarten Pieter en Pieter Cornelis de werf voortzetten. Hoe dat financieel geregeld werd weten we niet, waarschijnlijk heeft Den Ouden zijn geld er in laten zitten. Als in 1915 de firma wordt omgezet in een N.V., wordt Arie Nijs den Ouden een stille vennoot in die N.V.73Dat maak ik op uit het feit dat zijn dochter in de jaren zeventig van de 20e eeuw aandelen N.V. Boele Scheepswerven en Machinefabriek bezat, die zij volgens een nazaat van de familie Boele geërfd had van haar vader.

Boele en Pot na 1905. Dat weten we zeker, want het kantoor annex directeurswoning rechts is op 13 juni 1905 aanbesteed. De loods middenin is de vervanging van de in 1903 uitgebrande timmerloods. (Prentbriefkaart uit het archief van de Historische Vereniging Ridderkerk, nummer 1022.100.018)

Zoals u zich misschien herinnert waren Arie Nijs en de gebroeders Boele dubbele zwagers. Maar ook dat veranderde. Jannetje Boele, de vrouw van Arie Nijs en een zuster van Maarten Pieter en Pieter Cornelis, overleed op 31 december 1905. (Wéér een Boele die niet oud is geworden: ze was maar 41 jaar toen ze stierf. Maar ze was in die generatie de enige die jong stierf.)74Parenteel Jannetje Boele op de website Genealogie. Arie Nijs hertrouwde in 1910.75Parenteel Arie Nijs den Ouden op de website Genealogie. Ook Annigje, de zuster van Arie Nijs, die getrouwd was met Maarten Pieter Boele, was in 1911 overleden en Maarten Pieter was in 1912 hertrouwd.76Parenteel Maarten Pieter Boele op de website Genealogie. Dus de familieband was in 1915 losser dan voorheen, de heren waren officieel geen zwagers meer van elkaar. Hoe de familieverhoudingen ook waren, Arie Nijs den Ouden is zakelijk in ieder geval na 1905 buiten beeld bij de werven van Boele. De N.V. Maatchappij Schroefsleepboot ‘Trio’ heeft overigens zijn looptijd (tot 1 mei 1916) volgemaakt en is toen geruisloos opgeheven. De voormalige zwagers hadden dus kennelijk geen ruzie.

De naam Boele en Pot bleef nog tien jaar gehandhaafd. Wederom geldt: waarom zou je een goed bekend staande naam veranderen als dat niet strikt nodig is? En Boele en Pot wàs inmiddels een grote naam. Volgens de bouwlijst van Boele en Pot zijn er tussen 1896 en 1915 maar liefst 109 schepen gebouwd.77De bouwlijst is te vinden bij de Stichting Scheepshistorisch Onderzoek (S2HO). Veruit het grootste deel daarvan betreft binnenvaartschepen: sleepboten, sleepschepen, zelfvarende stoomschepen en pontons, maar ook stoomponten voor de gemeente Amsterdam, twee “Amazone-boten” en zelfs een schokker voor de Koninklijke Marine. En dat voor een werf die was gesticht als reparatiewerf!

Een schip in aanbouw bij Boele en Pot, tussen 1905 en 1915. (Foto Archief Vereniging Oud-Ridderkerk, inventarisnummer 1022-100-042)

Er lagen dus tussen 1905 en 1915 twee werven onder precies dezelfde directie op nog geen twee kilometer van elkaar verwijderd: de firma Boele en Pot in Bolnes en de firma P. Boele Pzn in Slikkerveer. Maar de bedrijfsvoering bleef tot 1915 gescheiden.

In die tien jaar tussen 1905 en 1915 zien we een grote innovatie op de werf in Bolnes: Boele en Pot ging zijn eigen ketels en machines bouwen. Ik heb in het eerste artikel over de werven van Boele al aangestipt hoe het bouwen van een stoomschip tot die tijd in zijn werk ging: de werf bouwde een casco, dat versleept werd naar een machinebouwer die de stoomketel, de stoommachine en de voortstuwing (koppeling, schroefas en schroef) inbouwde en daarna ging het schip naar een werf om afgebouwd te worden. “Een” werf, niet noodzakelijk dezelfde werf als waar het casco gebouwd is. Met andere woorden: de bouwwerf zag in het somberste geval maar een derde deel van de totale besomming van de bouw van het schip terug. (Terzijde: dit is een belangrijke reden waarom in de scheepsmetingen vaak onduidelijkheid bestaat over de bouwer van stoomschepen.) Er was rond 1870 maar een beperkt aantal machinebouwers want dat was gespecialiseerd werk – en het bleek erg lucratief. Dus mèt de komst van nieuwe materialen (staal in plaats van ijzer, nieuwe legeringen voor leidingen), mèt de komst van toeleveranciers van branders en instrumenten en mèt de steeds verder toenemende kennis (machinebouw werd een vak op ambachtsscholen en aan de Technische Hogeschool in Delft) werd het bouwen van zowel stoomketels als stoommachines meer gemeengoed.78H. W. Lintsen. Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel IV, 1993. Lemma Machinebouw, pag. 36 – 65. Zo werd het ook voor middelgrote bedrijven als Boele en Pot lonend hun eigen machines te gaan bouwen. Dat ging in fasen: volgens Joost van Beek werd in 1906 de ketelmakerij gebouwd en “omstreeks 1910” de machineloods.79Van Beek, Boele-Bolnes, blz. 15. Van Beek is notoir onnauwkeurig waar het data betreft over de vroege jaren van de werf. In zijn inventarisatie “De machinefabrieken in Nederland tot 1914” geeft G. van Hooff heel andere jaartallen. Volgens hem had Boele en Pot meteen al in 1896 een lierenfabriek èn een machineabriek, en kwam daar in 1910 een ketelmakerij bij.80van Hooff, G. (1985). De machinefabrieken in Nederland tot 1914: overzicht en bibliografie. Technische Universiteit Eindhoven. Blz. 222-223 Hoe dan ook, de eerste indicatie die we uit andere bronnen krijgen is een advertentie in het dagblad De Amsterdammer van 26 juni 1912 , waarin “Bekwame en Aankomende Ketelmakers” gevraagd worden. In een advertentie in de Middelburgsche Courant van 6 april 1912 noemt Boele en Pot zichzelf voor het eerst “Scheepswerf en Machinefabriek”:

Afb.: Advertentie van Scheepswerf en Machinefabriek Boiele en Pot
Advertentie in de Middelburgsche Courant van 6 april 1912. Dezelfde advertentie stond ook in de Leeuwarder Courant van 6 april 1912. Bekwame Bankwerkers waren kennelijk in de nabije omgeving van Bolnes op dat moment niet te vinden.

Daarna gaat het hard: al in 1913 mag Boele en Pot de “stoomwerktuigen en de stoomketel” leveren voor het Stoomloodsvaartuig No. 11, dat ze niet zelf gebouwd hebben.81De Ingenieur; Weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 28, 1913, no 15, 12-04-1913 Ook de ketels en de machines van de SINGKEP uit 1914, het eerste door Boele en Pot gebouwde zeeschip, worden door de werf zelf geleverd.

In januari 1912 heeft Boele en Pot ook zijn eerste motorboot te water gelaten: “… een groote motorboot, gebouwd voor rekening van de heeren Goedkoop te Amsterdam.82Nieuwsblad, gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard en IJselmonde 17-01-1912 Dat is opvallend, want “de heeren Goedkoop” waren de eigenaars van de Kromhout Motorenfabriek in Amsterdam. Én ze waren de voormalige eigenaars van de Kromhout werf, die ze in oktober 1911 aan de Wed. C. Ceuvel verkocht hebben.83zie Wikipedia Het is dus pikant dat ze nog geen vier maanden later al een schip bij Boele en Pot lieten bouwen! Bouwden Boele en Pot een Kromhout motor in, of hebben ze alleen maar een casco gebouwd dat naar Amsterdam gesleept werd voor de inbouw van de motor, zoals voorheen met stoomschepen gebeurde? Het wordt nog veel gekker: deze “groote motorboot” komt helemaal niet voor in de bouwlijst van de werf! Hoe dan ook, we zien Boele en Pot dan voor het eerst in verband gebracht worden met motorschepen in plaats van met stoomschepen.

Kortom, vanaf ongeveer 1910 was de werf van Boele en Pot in staat om complete schepen af te leveren, inclusief de voortstuwing. In tegenstelling tot andere werven heeft Boele en Pot, noch de opvolger ervan, de N.V. Boele’s Scheepswerven en Machinefabriek, zich ooit gewaagd aan het zelf ontwikkelen en bouwen van een motor. We zien ze eerst Kromhout motoren inbouwen, later Hollandia en Werkspoor, en weer later zowel Stork motoren als Duitse motoren, zoals die van Deutz in Keulen en van de Maschinenfabrik Augsburg – Nürnberg (M.A.N.).

De Eerste Wereldoorlog leidde tot een dramatische val van de Nederlandse economie. We bleven gespaard voor de oorlog zelf, maar onze belangrijkste handelspartners waren met elkaar in oorlog. Deze klap kwam net zo plotseling als de economische klap van de corona-epidemie in 2020 – en het was toen een enorme klap! Met name de Rijnvaart stokte zo goed als geheel.84Vincent Malafronte: Rijnstakingen. De oorzaken van de stakingen in de Rijnvaart tussen 1895 en 1935. Masterscriptie Maatschappijgeschiedenis Erasmus School of History, Culture and Communication Erasmus Universiteit. Rotterdam, 2018. Blz 64. Voor de werven had de oorlog grote gevolgen: er werden geen Rijnschepen meer afgenomen, staal en andere geïmporteerde bouwmaterialen werden peperduur. Om een idee te geven: ijzer kostte in 1913 ongeveer 100 gulden per ton, in september 1917 was dat gestegen tot 450 gulden per ton. Een toename van 350%!85Maandschrift CBS. 13e Jaargang nr 2, februari 1918, p. 198

Daar stond tegenover dat zeeschepen juist zeer gevraagd werden. Dat had drie redenenen. Om te beginnen gingen er in de onbeperkte duikbootoorlog vanaf 1916 heel veel schepen verloren, natuurlijk in het bijzonder van de oorlogvoerende partijen, maar ook wel (meer of minder per ongeluk) van neutrale landen. Tussen 1914 en 1918 werden maar liefst 185 Nederlandse zeeschepen tot zinken gebracht!86Wikipedia, Maritieme Geschiedenis van Nederland Ten tweede moesten Engeland en Frankrijk en Duitsland die verliezen aanvullen, dus ze bouwden wel veel schepen, maar alleen voor eigen gebruik. Daarmee zaten die buitenlandse werven “vol”.87Bonebakker, J.W.: “De Scheepsbouwnijverheid in Nederland”. Cahiers Nederlands Economisch Instituut, Nr 16. Haarlem (de erven F. Bohn N.V.), 1938. Blz. 34 Dus Nederlandse reders, die gewend waren ook in het buitenland hun schepen te laten bouwen, moesten ineens al hun schepen in Nederland laten bouwen. Ten derde was er in de zeevaart goed geld te verdienen, juist voor reders in neutrale landen zoals Nederland. Hoge ijzerprijs of niet: er werden voor Nederlandse rederijen veel nieuwe zeeschepen gebouwd, en allemaal in Nederland. In 1918 was de Nederlandse grote handelsvaartvloot 16% groter dan in 1914 en een stuk moderner.88Wikipedia, Maritieme Geschiedenis van Nederland

We zien de werf Boele en Pot precies hetzelfde doen als wat we rond die tijd ook de Wed. C. Boele en Zn. zagen doen: de bouw van Rijnschepen stokt, de werf probeert over te schakelen over op de bouw van zeeschepen. De eerste bij Boele en Pot is, voor zover we kunnen nagaan, de SINGKEP (bouwnummer 102) geweest, gebouwd voor de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM) die de dienst op en vooral binnen Nederlands-Indië onderhield.89Bouwlijst bij de S2HO De Singkep wordt in april 1914, dus nog voor het uitbreken van de oorlog, opgeleverd.90Je zou ook kunnen zeggen dat het zeegaande tank-ponton MAZOUT (bouwnummer 99) uit 1913 het eerste zeeschip was, maar die had geen eigen voortstuwing. Zag de directie van Boele en Pot de bui hangen?

De Singkep tijdens de proefvaart in 1914. (Foto: Archief A.M. van ’t Hoff-Boele)

Overigens heeft ook Boele en Pot wel degelijk last van de neergang in de Rijnvaart: al in 1913 gaat de rederij “Rheinische Transportgesellschaft William Egan & Co” te Rotterdam (!) failliet, en Boele en Pot schiet daar meer dan 25.000 gulden bij in.91Algemeen Handelsblad, 17 juni 1913. Gevalletje faillissementsfraude: Het kantoor in Rotterdam was een sterfhuisconstructie. Egan had kort daarvoor zijn schepen (en dus zijn kapitaal) ondergebracht bij de Reederei Fendel in Mannheim. Maar door het uitbreken van W.O. I is het nooit tot een rechtszaak gekomen. Dat was in die tijd heel veel geld! Om een idee te geven: Maarten Pieter heeft in 1903 een (groot) woonhuis annex kantoor op het terrein van Boele en Pot laten bouwen voor 18.750 gulden. Dus het faillissement van Egan moet een gevoelige klap zijn geweest.

En daarmee zijn er in 1915 meerdere redenen om de naam van de werf wèl aan te passen. De belangrijkste is de nieuwe markt die Boele en Pot wil aanboren. De bouw van zeeschepen brengt veel meer risico met zich mee dan de bouw van Rijnschepen. Bij een firma is de directie hoofdelijk aansprakelijk: als de firma failliet gaat gaan de firmanten financieel mee kopje onder. Een Naamloze Vennootschap (N.V.) kent die hoofdelijke aansprakelijkheid niet.92Besloten Vennootschappen bestonden in 1915 nog niet, de keus was óf een firma, óf een N.V. Ten tweede waren zeeschepen een nieuwe markt voor Boele en Pot, daarin hadden ze niet de grote naam die ze inmiddels in de Rijnvaart hadden. Dus een naamsverandering had minder gevolgen voor de goodwill, om het maar in moderne marketingtermen te vertalen. Ten derde was er de samenvoeging van de werven in Slikkerveer en Bolnes. Iedereen wist wel dat die twee werven, onder twee verschillende namen, al tien jaar onder dezelfde directeuren fungeerden, maar officieel waren het tot 1915 twee verschillende bedrijven. Ten vierde: Boele en Pot was inmiddels meer dan een werf, het was ook een machinefabriek geworden. Ten slotte werd het ook tijd om een nieuwe generatie in de leiding van de werf (of werven) op te nemen. Kortom, de juridische status én de naam van het bedrijf moesten nodig aangepast worden. En zo werd op 22 juli 1915 bij notariële akte de N.V. Boele’s Scheepswerven en Machinefabriek te Bolnes opgericht.93Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 184, Aktenummer 888 Let goed op de naam: Machinefabriek (enkelvoud) en Scheepswerven (meervoud). De werf in Slikkerveer was nog niet opgegeven.

Er valt zo veel te vertellen over de nieuwe N.V. – die vaak met het telegramadres Boele-Bolnes aangeduid werd – dat ik ervoor gekozen heb die te behandelen in een derde artikel.

De Boeles in bonis

Hoe verging het de eigenaren van de werven, Maarten Pieter Boele en Pieter Cornelis Boele? We zagen al eerder dat de broers hun kapitaal in onroerend goed belegden. In hoeverre dat de werf ten goede kwam en in hoeverre dat privé beleggingen waren kunnen we niet meer nagaan. We kunnen wel constateren dat er bijna voortdurend genoeg geld was om grond te kopen.

Verder namen de broers deel in verscheidene N.V.’s. In 1899 bijvoorbeeld hielpen ze mee met het oprichten van de N.V. Eerste Scheepsverband-Maatschappij (ENSM) te Dordrecht.94Nederlandse Staatscourant 26 juni 1899 Dat “Eerste” moet u letterlijk nemen: dit was de oudste scheepshypotheekbank van Nederland. De beide Boeles namen deel namens de werf: “Pieter Boele en Maarten Boele, scheepsbouwmeesters, beiden wonende te Slikkerveer, samen de eenige leden van en handelende voor de firma P. Boele, gevestigd aldaar.95idem Ook hierbij kun je je afvragen: was dat een zakelijke belegging? Ẁaarschijnlijk wel: tot 1898 was er geen institutionele manier van binnenschepen financieren. Dus moesten de werven vaak geld in schepen steken, “geld erin laten zitten“, zoals dat genoemd werd, met alle risico’s van dien. In 1898 werden scheepshypotheken wettelijk geregeld,96Een scheepshypotheek is afwijkend van een gewone hypotheek, omdat een schip in principe geen “onroerend goed” is. Een wijziging in 1898 van het Burgelijk Wetboek stelde schepen voor hypothecaire doeleinden gelijk aan onroerend goed. Zie Polak, Maurits: “Handboek voor het Nederlandsche handels- en faillissementsrecht.” Groningen (Wolters), 1920 en je ziet meteen daarna drie, vier scheepshypotheekbanken opgericht worden. Zakelijk of niet, de belegging heeft de Boeles geen windeieren gelegd. De ENSM is zelfstandig blijven voortbestaan tot 1968, toen hij samen ging met een drietal andere hypotheekbanken.97Weer later werd hij deel van de Rabobank, en thans is de opvolger van de bank in Duitse handen.

Een aandeel uit 1927 van de Eerste Nederlandsche Scheepsverband-Maatschappij. (Bron: Roo’s oude Effecten)

Maar dit was niet de enige deelname van de Boeles. We zagen al eerder dat ze in 1896, samen met Arie Nijs den Ouden, de N.V. Maatschappij Schroefsleepboot ‘Trio’ hebben opgericht. Eveneens in 1896 fourneren de beide Boeles het grootste aandeel in het kapitaal van Boele en Pot. In 1898 neemt Pieter Cornelis deel in een glasverzekeringsmaatschappij.98Staatscourant, 27 december 1898, Naamloze Vennootschappen, No. 512 Dat is toch wel ver van de kernaktiviteiten van de werf verwijderd! Ook in 1899 zien we Pieter Cornelis deelnemen in diverse andere verzekeringsmaatschappijen. Hij was kennelijk zijn geld aan het beleggen.

De Boeles maken het goed en ze staan zichzelf luxe toe. Op 13 juli 1903 wordt de bouw van een woonhuis annex kantoor op het terrein van Boele en Pot in Bolnes aanbesteed. De architect is C.N. van Goor in Rotterdam en de aannemer met de laagste inschrijving is de Gebroeders Dura uit Rotterdam, voor 18.750 gulden. Dit wordt het woonhuis van Maarten Pieter Boele. (Het staat rechts op de ingekleurde prentbriefkaart van na 1905, zes afbeeldingen hierboven.) In 1912 krijgt de firma P. Boele Pzn toestemming om een woonhuis te laten bouwen bij de werf aan de Eenigendijk (thans Ringdijk) in Slikkerveer, op het terrein van de werf van de firma P. Boele Pzn. Dat wordt, vanaf 1913, het woonhuis annex kantoor van Pieter Cornelis Boele, gebouwd door de toen beroemde architect C.A. Verhey uit Elshout, Kinderdijk. Het huis bestaat nog en er wonen tot op heden (2020) nazaten in van Pieter Cornelis Boele. De officiële naam is “Villa Boele”.99 Zie: Suzanne Loen e.a.: Cultuurhistorische Waardenkaart Woongebieden Ridderkerk, in opdracht van de Gemeente Ridderkerk uitgevoerd door “Dorp, Stad en Land”. Rotterdam, 2017. Blz. 43 – én op de voorpagina!

Villa Boele in 2020. (Foto Jan Sepp, CC BY-NC)

Maar de belangrijkste indicatie voor de welvaart van de Boeles komt uit de opgaven voor het census-kiesrecht. Vóór de invoering van het algemeen (mannen-) kiesrecht in 1917 konden alleen Nederlanders die aan bepaalde criteria voldeden meedoen aan verkiezingen voor de Tweede Kamer en Proviciale Staten.100Wikipedia, Censuskiesrecht Nederland Eén van die criteria was hoeveel belasting je betaalde. Vanaf 1911 vielen de broers Boele onder dit criterium. Om een idee te geven: de totale bevolking van de Provincie Zuid-Holland bestond in 1911 uit 1.390.744 mensen. Daarvan voldeden er 927 (natuurlijk allen mannen, vrouwen hadden nog geen kiesrecht) aan het belastingcriterium (de “hoogstaangeslagenen in de Rijks-directe belastingen“). Daaronder dus Maarten Pieter en Pieter Cornelis.101Staatscourant 5 mei 1911 Hetzelfde zien we in 1912.102Staatscourant 06-05-1912 Maar vanaf 1913 komt Pieter Cornelis wèl in de lijst voor, maar Maarten Pieter niet meer.103Staatscourant 05-05-1913. Je moest in dat jaar tenminste 1.120,17 gulden aan belasting betaald hebben om in de lijst te komen. Heeft hij pech gehad met zijn beleggingen? Heeft het iets te maken met het eerdergenoemde faillissement van William Egan & Co in 1913, waar de werf Boele en Pot meer dan 25.000 gulden bij in schoot?

De rijkdom van beide broers was niet vanzelfsprekend. Kijk naar hun vier neven, die samen de werf Wed. C. Boele en Zn. bezaten. Die hadden het financieel juist rond 1915 steeds moeilijker. Ik haal nog een keer Leen Slikkerveer aan, die in 1934 over de werf van de Weduwe schreef: “Die menschen zijn niet rijk geworden, hoewel ze allen hard gewerkt hebben en ook niet te hoog geleefd hebben.104L. Slikkerveer: “Scheepswerven en aanverwante bedrijven op het eiland IJsselmonde langs de Noord en de Maas van Dordt tot Rotterdam.” Het boekje is in 2014 bewerkt door G. de Jong en opnieuw uitgegeven door de Vereniging Oud-Ridderkerk. Blz. 47. Wat deden Maarten Pieter en Pieter Cornelis anders dan hun neven? Achteraf bezien kun je zeggen dat ze meer ondernemingszin toonden, de markt beter aanvoelden en in het algemeen meer zakelijk inzicht hadden – en een flinke dosis geluk, natuurlijk. Al die investeringen in een tweede werf, in een machinefabriek, in grond, in schepen en in scheephypotheekbanken hadden ook gemakkelijk fout kunnen lopen. Nogmaals, de rijkdom van Maarten Pieter en Pieter Cornelis Boele was niet vanzelfsprekend.

Hoe dan ook, de broers Boele waren rond 1915 in bonis. Dat was nóg een reden om de firma in 1915 om te vormen naar een N.V.: ze hadden zo langzamerhand privé flink wat te verliezen!

Nog een Boele werf, in Alblasserdam

Bij mijn onderzoek naar de werven van Boele stuitte ik op nòg een werf: die van Engel Adrianus, de middelste zoon van de allereerste Pieter Boelen. Dat was dus een broer van Pieter en Cornelis. Toen die twee in 1854 verhuisden naar Slikkerveer was Engel in Alblasserdam blijven wonen. Ik laat maar weer even de stamboom zien, dan weten we waar we hem (en later zijn zoon Pieter EAzn) moeten plaatsen:

Engel Adrianus, de middelste broer, met zijn zoon. Jawel, wéér een Pieter! (Afb. Jan Sepp, CC BY-SA)

Tot nu toe werd aangenomen dat Engel Adrianus timmerman was, gespecialiseerd in de bouw van windmolens. We weten dat hij op 26 januari 1851 in Alblasserdam is getrouwd met Ariaantje Spruit, en dat ze samen acht kinderen gekregen hebben, waarvan er vier gestorven zijn voor hun derde levensjaar.105Parenteel Engel Boelen bij Genealogie Online Timmerman en molenmaker? Wie schetst mijn verbazing toen ik in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 18 mei 1859 onderstaande advertentie tegenkwam:

Bron: NRC 18-05-1859

Was het een tweede-handsje? Dat “met vollen inventaris” doet het bijna vermoeden. Maar hoe kwam hij er dan aan? In de advertentie noemt hij zichzelf expliciet “Scheepmaker”. Dus toch nieuw? Maakte hij soms boeierschuiten naast zijn werk als molenmaker? En vervolgens: 1859, dat is maar vijf jaar nadat zijn beide broers de werf in Slikkerveer begonnen waren. Waarom ging hij niet met hen samenwerken? Zoals gebruikelijk bij die generatie Boeles zijn er veel meer vragen dan antwoorden. Overigens blijkt uit de advertentie dat ook hij de “n” achter Boelen heeft laten vallen, en zichzelf E.A. Boele noemt.

Uit latere stukken weten we ook waar de werf gestaan heeft: “een huis getekend D, nummer 53, met annex timmerschuur en erf, alsmede scheepstimmerwerf met loods, verdere betimmeringen en water, staande en gelegen aan de Kinderdijk te Alblasserdam, buitendijks, kadastraal bekend in sectie A, onder nummers 916, 917, 925, 926, 2617, 2731 en 4037.106Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 148, Aktenummer 19 Dat was aan de Oost-Kinderdijk,107Om het moeilijker te maken ligt de Kinderdijk in Alblasserdam, en niet in Kinderdijk, daar heet hij Molenkade op het terrein waar later (tot 1981) Botenbouw Tukker heeft gezeten. Daarna is het terrein weggebaggerd als gevolg van de dijkverzwaring.108Website Vergane Glorie over de scheepsbouw in Alblasserdam, lemma Tukker.

De ligging van de werf van Engel Boele in Alblasserdam. Bron: Topografische Kaart van Nederland, 1880

Als dit een eenmalige treffer geweest was had ik hem genegeerd, maar de werf komt heel af en toe weer in het nieuws. Hij had beslist geen grote produktie, want pas in 1870, dus elf jaar later, zien we hem terug:

Bron: Het Vaderland, 20 oktober 1870

Engel was dus met zijn inschrijving de duurste van de drie, maar ze ontliepen elkaar niet veel. Terzijde: die J. Pott te Ridderkerk was vrijwel zeker Joost Pot. Ook die zat in een vreemde famileconstructie: hij was een broer van Pieter en Hendrik Pot die samen de werf gebroeders Pot in Bolnes gesticht hebben. Ook deze Joost Pot werkte niet met zijn broers samen maar had in 1859 een eigen werfje opgericht, een paar honderd meter verder naar het oosten, in Slikkerveer. In 1871 verkocht hij die werf aan Piet Smit Jr, die hem later weer verkocht aan de Weduwe C. Boele en Zonen. ’t Is een klein wereldje. Joost Pot vertrok naar Vlaardingen waar hij loggers ging bouwen en daarin behoorlijk succesvol werd.109Zie het artikel van Sim Mostert: “Joost Pot (de Slikkerveerse boer) wist wat hij wilde”. In Tijd-Schrift, Orgaan van de Historische Vereniging Vlaardingen Nr. 107, Maart 2008 Hoe dan ook, we mogen aannemen dat Engel Boele dit keer achter het net viste.

Ook Engel stierf jong, op 5 december 1871, hij was toen 48 jaar oud.110Parenteel Engel Boele bij Genealogie online En weer zien we een weduwe die de werf voortzet: de vrouw van Engel, Ariaantje Spruit. En waar haar man in 1870 de order niet kon krijgen is zij 9 jaar later wel succesvol geweest:

Bron: Algemeen Handelsblad 3 maart 1879. “Alhier” is in dit geval Hellevoetsluis.

Dit soort orders moeten hoogtepunten voor de werf geweest zijn. Zoals je, staande op een berg, andere bergtoppen boven de wolken uit ziet steken, zo zie je zo heel af en toe een artikeltje over een werf als deze, die verder wel produktie gehad moet hebben, anders houdt hij het geen 20 jaar vol (1859 – 1879). De meeste schepen die deze werf gebouwd heeft zijn dus waarschijnlijk bestemd geweest voor boeren en misschien schippers uit de buurt. Ze werden op bestelling gebouwd, of anders waren ze zò klein (vletten, roeiboten, aken of schouwen) dat het niet de kosten waard was om ervoor te adverteren. Meer schuitenmakerij dan scheepstimmerwerf, dus. Hoe dan ook, de werf heeft het die twintig jaar volgehouden.

Het opleveren van deze loodskotter was één lichtpuntje in een overigens rampzalige periode. Jan Boele, het tweede kind van Engel en Ariaantje, stierf in oktober 1878 in Davos aan tuberculose. Hij liet een schuld van 3.200 gulden aan verpleegkosten na, de prijs van een middenstandswoning.111Parenteel van Jan Boele op de website Genealogie We zullen later zien dat de hele werf een paar jaar later maar 5.000 gulden waard was. Op 11 juli 1879 overleed ook de weduwe van Engel, Ariaantje. Zij is 56 jaar oud geworden.112Parenteel van Ariaantje Spruit op de website Genealogie online De oudste dochter, Aplonia, stierf nog datzelfde jaar.113Parenteel van Aplonia Boele op de website Genealogie online De werf komt zo in handen van de tweede zoon, Pieter, die in 1897 pas 24 jaar oud is.

Deze Pieter lijkt het roer radicaal om te gooien. In plaats van in de scheepsbouw, beproeft hij – in eerste instantie – zijn geluk in de natte aannemerij. Al in 1880, een jaar nadat hij de werf geërfd had, wint hij een aanbesteding:

Bron: Rotterdamsch nieuwsblad 25-03-1880 “Alhier” was dus in Rotterdam

En zo komen we hem nog een aantal keer tegen. Dit is opmerkelijk. Er zijn genoeg voorbeelden bekend van aannemers die af en toe hun eigen (gespecialiseerde) vaartuigen maken. Maar dit is, voor zover ik weet, de enige scheepsbouwer die het in de aannemerij probeert. En hij lijkt succesvol: op 4 maart 1881 wint hij de aanbesteding voor het “gedeeltelijk vernieuwen van de aanvaarhoofden aan de Ravensche Brug in het Kanaal door Voorne“,114Het Vaderland 05-04-1881 en op 20 oktober 1881 een groot contract voor het bouwen van een blok woningen in Rotterdam “ten dienste van de exploitatie het droogdok aldaar“.115Het Vaderland 20-10-1881 Dus ook nog woningbouw! Dat is weer een heel ander vak dan het bouwen van landhoofden voor een brug. Waar doet hij het van?

Nou, in ieder geval deels van een lening van zijn oom Pieter – de Pieter Boele Pzn van de scheepswerf in Slikkerveer. Deze leent zijn neef en naamgenoot op 9 oktober 1882 vijfduizend gulden. Hij vraagt wel een onderpand: de werf in Alblasserdam.116Acte van Notaris Dirk van Wageninge te Alblasserdam, 9 oktober 1882 Opmerkelijk is dat bij die transactie de neef, dus Pieter Boele EAzn, nog steeds wordt aangeduid als scheepsbouwmeester.

In datzelfde jaar, 1882 dus, probeert Pieter EAzn een “Nieuwe ijzeren Paviljoenschuit, groot 30 lasten” te verkopen.117Advertentie in Het nieuws van den dag : kleine courant 14-04-1882 Dat lukt kennelijk niet, want twee maanden later plaatst hij de advertentie nog een keer.118Advertentie inHet nieuws van den dag : kleine courant 05-06-1882 Een ijzeren schuit – hij heeft met zijn werf kennelijk ook nog de overgang van hout naar ijzer gemaakt!

Dan, weer een maand later, volgt deze advertentie:

Advertentie in Het Nieuws van den Dag 07-07-1882 (herplaatst: 08-7-1882)

Die nieuwe ijzeren paviljoenschuit is hij kennelijk nog steeds niet kwijt: 30 last en 58 tonnen is hetzelfde. Maar nu komen er ook andere schepen bij. Heeft Pieter die in die tussentijd nieuw gebouwd? Ik denk het niet. Het zijn typisch schepen die in de aannemerij gebruikt worden, en er staat niet bij (zoals wel staat bij de paviljoenschuit) dat ze nieuw zijn. Er is een andere oorzaak dat hij die schepen aanbiedt: hij heeft geld nodig. Gedwongen door geldzorgen verkoopt Pieter zijn kapitaalgoederen.

Ondernemingszin is één ding, maar deze Pieter had wel erg veel dingen tegelijkertijd aan zijn hoofd: hij hield de werf aan, hij begon een bedrijf in de natte aannemerij, zag er geen been in om tegelijkertijd ook mee te dingen naar een contract voor woonhuizen, èn liet de werf overgaan van hout- naar ijzerbouw. En dat alles in een periode van goed twee jaar. Dat kon niet goed gaan en het ging niet goed: op 5 december 1883 gaat Pieter Boele EAzn in Alblasserdam failliet. Zijn oom Pieter Pzn laat de werf dan veilen, maar de opbrengst wordt niet genoemd.119Stadsarchief Rotterdam, 1277 Archieven van Notarissen te Ridderkerk en Rijsoord, Inventarisnummer 148, Aktenummers 19 en 22

In 1881 was Pieter EAzn getrouwd met Marigje Baan.120Parenteel van Pieter Boele EAzn op de website Genealogie online Hun eerste kind werd in 1882 geboren, maar stierf al na anderhalve maand. Alsof Pieter in dat jaar niet genoeg problemen had! Daarna kregen ze nog acht kinderen, die allen wèl volwassen werden. De vijfde, Aaltje, werd op 14 juni 1889 in Alblasserdam geboren, maar de zesde, nog een Marigje, werd in (of kort na) 1890 in Corona (ja, echt!) in Californië geboren.121Parenteel van Marigje Boele op de website Genealogie online De daaropvolgende kinderen werden allemaal in Pasadena in Californië geboren. Pieter en zijn vrouw zijn dus rond 1890 naar Amerika geëmigreerd. Hij zal daar geen schepen meer gebouwd hebben: Pasadena (een voorstad van Los Angeles) ligt weliswaar aan een rivier, maar die is niet bevaarbaar. Het is niet bekend hoe het hem verder is vergaan.

Samenvatting

Na de splitsing van de werf in Slikkerveer in 1871 ging Pieter Boele alleen verder, onder de naam P. Boele Pzn, scheepsbouwmeester. De werf ontwikkelde zich voorspoedig. Het was meer een nieuwbouw- dan een reparatiewerf en zeker meer een Rijn- en binnenvaartwerf dan een zeeschepenwerf. Pieter Boele stond erom bekend dat hij heel snel kon bouwen. In 1879 werd de mechanisatie van de werf voorzichtig gestart met de introductie van een locomobiel.

In 1887 overleed Pieter en zijn zoons Maarten Pieter en Pieter Cornelis namen de werf over. Vanaf dat moment was de officiële naam van de werf Firma P. Boele Pzn, maar op de werf veranderde in praktijk niets. Van alle schepen die daar gebouwd zijn (en dat zijn er 633 tussen 1872 en 1930) is misschien wel de beroemdste de sleepboot WACHT AM RHEIN VIII, bouwnummer 349 uit 1893. Niet zozeer door roemruchte daden als sleepboot, maar omdat hij rond 1970 van de sloop is gered en thans nog steeds vaart als PIETER BOELE.

De werf in Slikkerveer werd te klein, er was in het bijzonder geen ruimte om reparaties uit te voeren. Daarom stichtten de broers Boele samen met hun zwager, Arie Nijs den Ouden, in 1896 een tweede werf in Bolnes, een paar kilometer meer naar het westen. Den Ouden was directeur van de Scheepswerf Gebroeders Pot, en de nieuwe werf ging firma Boele en Pot heten. Deze werf was bedoeld als reparatiewerf, maar binnen de kortste keren werd ook daar nieuwbouw uitgevoerd.

In 1905 trok Den Ouden zich terug uit Boele en Pot, maar de naam van de werf veranderde niet. In de periode 1905 – 1910 kwamen er een ketelmakerij en een machinefabriek bij die werf. Vanaf dat moment kon Boele en Pot volledige stoomschepen leveren. In 1912 werd het eerste motorschip (dus geen stoomschip) gebouwd en in 1914 werd het eerste zeeschip van de werf opgeleverd, de SINGKEP voor de Koninklijke Pakketvaart Maatchappij. Dat was overigens een stoomschip, en de ketels en de machines werden door Boele en Pot zelf geleverd.

Vanaf 1905 stonden de firma Boele en Pot in Bolnes en de firma P. Boele Pzn in Slikkerveer onder dezelfde directie, maar het bleven twee verschillende bedrijven. De omstandigheden waren in 1915 zodanig veranderd dat het toen zinvol was om de twee firma’s om te zetten in één Naamloze Vennootschap. De naam van het bedrijf veranderde in N.V. Boele’s Scheepswerven en Machinefabriek. De werf in Slikkerveer en de werf in Bolnes waren nu één bedrijf met twee vestigingen geworden. De werf in Bolnes werd uiteindelijk misschien wel bekender onder de naam Boele-Bolnes – dat eigenlijk het telegramadres was. In het derde artikel in deze serie zal ik ingaan op het wel en wee van de werf tussen 1915 en 1987. In 1987 ging het bedrijf failliet.

Bij mijn onderzoek naar de werven van Boele in Slikkerveer en Bolnes stuitte ik op nòg een werf van een Boele: die van Engel Boele in Alblasserdam. Die werf heeft bestaan tussen 1859 en 1883. Het was een heel kleine werf die maar enkele malen het nieuws haalde. De zoon van Engel probeerde te veel tegelijk te veranderen en op 5 december 1883 ging hij, en daarmee de werf, failliet.


Bijlage: Scheepsmetingen

Ik heb in dit artikel regelmatig verwezen naar de bouwlijsten. Er is nog een tweede ingang om de productie van een werf te zien: de Liggers van de Scheepmetingsdienst. De lijsten van scheepsmetingen zijn minder volledig dan de bouwlijsten. De scheepsmetingen bij S2HO bevatten alleen de gegevens van binnenvaartschepen, niet van zeeschepen of vissersschepen. Voorts werden ook niet alle binnenvaarschepen gemeten: schepen van buitenlandse opdrachtgevers werden meestal in het land van die opdrachtgever gemeten; en heel kleine schepen en jachten werden vaak niet gemeten.

Daar staat tegenover dat de scheepmetingen vaak meer detail per schip bevatten. Omdat een schip na een grotere verbouwing hermeten moest worden kun je, veel beter dan aan de hand van de bouwlijsten, de geschiedenis van het schip volgen. Scheepsmetingen en bouwlijsten vullen elkaar dus aan.

De metingen van de beide verschijningsvormen van P. Boele Pzn staan bijeen. Dat was immers één werf, die in 1886 overging van vader Pieter op zoons Pieter Cornelis en Maarten Pieter. De werf van Boele en Pot was echt een andere werf, dus die heeft zijn eigen lijst met metingen.

Meer over het gebruik van de scheepsmetingen staat in de gebruiksaanwijzing.

Scheepsmetingen over schepen van de werf P. Boele Pzn in Slikkerveer

Alle metingen van binnenschepen die gebouwd of verbouwd zijn op de werf van P. Boele Pzn en later de Firma P. Boele Pzn vindt u op deze pagina bij de Stichting Scheepshistorisch Onderzoek – S2HO. Ga naar het veld “Zoek op de werf waar het schip gebouwd is” en vul daarachter in: “=PBoele-Slikkerveer” (inclusief het “=”-teken.) Laat alle andere invulvelden leeg en druk op Doorgaan onderaan het scherm. Als u alleen de metingen over de schepen van de vader wilt zien vul dan bij het bouwjaar in: tussen 1871 en 1887. U raadt het al, als u alleen de productie van de zoons wilt zien, vul dan bij het bouwjaar in tussen 1887 en 1915.

Scheepsmetingen over schepen van de werf Boele en Pot in Bolnes

Alle metingen van binnenschepen die gebouwd of verbouwd zijn op de werf Boele en Pot in Bolnes vindt u op deze pagina bij de Stichting Scheepshistorisch Onderzoek – S2HO. Ga naar het veld “Zoek op de werf waar het schip gebouwd is” en vul daarachter in: “=BoelePot-Bolnes” (inclusief het “=”-teken.) Laat alle andere invulvelden leeg en druk op Doorgaan onderaan het scherm.

Er zijn geen metingen van schepen afkomstig van de werf van E.A. Boele (en zijn opvolgers) in Alblasserdam.


Als u meer van een van deze werven weet hoor ik het graag op het e-mailadres metingen@s2ep2.nl .

In deze serie verscheen eerder deel I: de werven P. en C Boele en van de Wed. C. Boele in Slikkerveer. Deel III behandelt N.V Boele’s Scheepswerven en Machinefabriek, beter bekend als Boele Bolnes, in de periode 1916 – 1978.

Terug naar de hoofdpagina Scheepsmetingen.