Twee kleine werven in Rotterdam

Door Jan Sepp, maart/april 2020

In Rotterdam waren er in de jaren tussen beide wereldoorlogen twee werven met bijna dezelfde naam, die verder niet veel met elkaar te maken hadden. Het gaat om de ‘Rotterdamsche Scheepswerf Maatschappij‘ en de ‘Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij‘. Werf en Bouw dus. (Voor alle zekerheid: dan was er natuurlijk ook nog de ‘Rotterdamsche Droogdok Maatschappij’, maar die laten we hier – bijna – helemaal buiten.) Wat de twee werven gemeen hebben is dat ze allebei beroerd gedocumenteerd zijn. In de literatuur en de archieven is er heel weinig over terug te vinden. Om het nog iets moeilijker te maken: één van beide werven lijkt nauw verbonden te zijn met een “Rotterdamsche Scheepvaart Maatschappij” – waarover ook zo goed als niets bekend is.

Dit wordt een stukje voor fijnproevers. Zoals u misschien weet ben ik bezig met het documenteren van alle werven voor binnenvaartschepen die in de Liggers van de Scheepsmetingsdienst genoemd worden. Dat is monnikenwerk en zo af en toe stuit ik op kleine raadsels. Dit is wel een heel goed voorbeeld daarvan: compleet met ‘red herrings‘ (dwaalsporen). De grote Rotterdamse werven zijn uitstekend gedocumenteerd, maar voor deze twee kleine werven moet je zoeken naar snippers data.

De “N.V. Rotterdamsche Scheepswerf Maatschappij”

In de scheepsmetingen1bij S2HO.nl, vul bij Naam van de werf in “Rotterdamsche scheepsw” komt deze werf vijf keer bij naam voor:

Afb.: Metingen RSW
Metingen Rotterdamsche Scheepswerf Maatschappij

In werkelijkheid zijn er tien metingen voor de werf: er zijn er een paar bij die de naam verhaspelen. Maar die overige vijf metingen betreffen doublures: schepen die later hermeten zijn. Ook de ‘Rambler’ is zo’ n doublure: dat is een nieuwere meting voor de ‘Maasstroom 33’. Er blijven dus vier unieke schepen over. Opvallend is dat drie van die schepen gebouwd zijn in 1909 en 1910, dan volgt een groot gat, en dan pas komt er weer één schip in 1936. Alle vier de schepen heetten op enig moment ‘Maasstroom’ met daarachter een nummer: 33, 34, 35 en 36. De “Eigenaar bij eerste meting” komt in drie gevallen precies overeen met de naam van het schip. Daar kom ik zo op terug.

Aan de hand van de serie namen ‘Maasstroom’ kunnen we twee reders terugvinden: De ‘Rotterdamsche Ballast en Elevator Maatschappij’ en de de ‘Rotterdamsche Scheepvaart Maatschappij NV’. Beiden noemden hun schepen ‘Maasstroom’ met een nummer erachter. Maar de Ballast en Graanelevator maatschappij had natuurlijk elevatoren (graanzuigers), sleepboten en open bakken in bezit. Als we zoeken naar sleepschepen en Rijnschepen springt de naam ‘Rotterdamsche Scheepvaart Maatschappij NV’ eruit. Werfnaam en de naam van de reder lijken verdacht veel op elkaar. (Sterker nog, bij één meting staat als eigenaar ‘Rotterdamsche Scheepswerf Mij N.V. te Rotterdam’.) Eerst maar eens zoeken naar die Rotterdamsche Scheepvaart Maatschappij.

Die naam brengt ons op een dwaalspoor. Er heeft heel kort, van 2008 tot 2016, een ‘Rotterdamsche Scheepvaartmaatschappij B.V.’ bestaan.2Zie bijvoorbeeld de Bedrijvenmonitor Compleet met de vooroorlogse “sch”. Die bedoelen we dus niet. In een beetje een mystery hoor je red herrings tegen te komen. We worden op onze wenken bediend! Maar onze Rotterdamsche Scheepvaart Maatschappij moet zo’n 100 jaar eerder geopereerd hebben.

Die ‘Rotterdamsche Scheepvaart Maatschappij’ van begin twintigste eeuw blijkt een holding geweest te zijn. In een verrassend modern aandoende constructie werd ieder schip van de rederij in een eigen N.V. ondergebracht, dus bijvoorbeeld de ‘N.V. Maatschappij Rijnschip Maasstroom 33’. Dat was in de Rijnvaart overigens niet ongebruikelijk: zo kon het verlies van één schip niet de hele rederij onderuit halen. Van een aantal van die N.V.s met één schip is een archief bewaard gebleven.3Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Justitie: Centraal Archief Vennootschappen, NV-dossiers, nummer toegang 2.09.46, inventarisnummer 10982 En ja hoor, of de duvel ermee speelt: die archieven zijn niet openbaar tot 1 januari 2021. Daar kom ik op terug, reken maar! De Rotterdamsche Scheepvaart Maatschappij, de holding van al die ‘Maasstroom’ sleepschepen dus, is in 1915 opgekocht door de rederij Furness.4Algemeen Handelsblad 7 januari 1915, teruggevonden via de Kroniek MarHisData 1915 Wat Furness daarna met die onafhankelijke Maasstroom-NV’s gedaan heeft is niet duidelijk. Het lijkt erop dat ze tot 1959 gewoon zijn blijven bestaan.
En de ‘Rotterdamsche Scheepswerf Maatschappij’ als eigenaar, zoals bij één meting vermeld wordt? Ik neem aan dat het een verschrijving is van de scheepsmeter, die door al die bomen ook het bos niet meer zag. Maar die namen liggen wel erg dicht bij elkaar! Ik vermoed – maar ik kan het niet bewijzen – dat er achter de Rotterdamsche Scheepswerf en de Rotterdamsche Scheepvaart dezelfde financiers zaten.

De Vereniging De Binnenvaart heeft documentatie over twee van die Maasstroom-sleepschepen van de Rotterdamsche Scheepswerf in zijn database staan: De ‘Maasstroom 32’5Zie de Schepenlijst De Binnenvaart uit 1909, die tot 1959 onder die naam gevaren heeft en in 1991 gesloopt is; en de ‘Maasstroom 36’6Zie de Schepenlijst De Binnenvaart uit 1936, die ook tot 1959 onder die naam gevaren heeft. (De ècht oplettende lezer heeft natuurlijk gezien dat de ‘Maasstroom 32’ helemaal niet in bovenstaand lijstje van vier Maasstromen voorkomt. Hij is wel gemeten, maar de scheepsmeter heeft de naam van de werf niet vermeld.)
Er waren meer Maasstromen, maar die zijn op andere werven gebouwd – of de bouwwerf is niet genoemd in de meting. En, nogmaals, om de zaak te compliceren waren er twee rederijen die hun schepen ‘Maasstroom’ met een nummer erachter noemden.

Terug naar de scheepswerf: de N.V. Rotterdamsche Scheepswerf Maatschappij. Over deze werf is zo goed als niets bekend. Ik dacht oorspronkelijk zelfs dat de hele werf niet bestaan heeft en dat de meters die andere werf, de Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij, bedoelden. Maar Pieter Klein, van de onovertroffen lijst van Scheepswerven7lijst van Scheepswerven bij de Vereniging De Binnenvaart, stuurde mij twee rouwadvertenties, waarin de werf wel degelijk bij naam genoemd wordt. De advertenties stonden in de Nieuwe Leidsche Courant van 17 april 19318Nieuwe Leidsche Courant:

Rouwadvertenties C. Teeuwen
Twee rouwadvertenties voor C. Teeuwen, geplaatst door de Rotterdamsche Scheepswerf Mij.

Daardoor weten we dat de werf werkelijk bestaan heeft, het adres van de werf (aan de Nesserdijk) en dat er een meneer Teeuwen als scheepsbouwkundige aan de werf verbonden is geweest. Maar deze advertenties roepen onmiddellijk nieuwe vragen op: Was die meneer Teeuwen familie van de Teeuwens die later grootaandeelhouder waren van de IJsselwerf in Capelle aan de IJssel? Wáár zat de werf dan aan de Nesserdijk? Een scheepsbouwkundige: is dat de directeur? Waarom wèl twee rouwadvertenties voor meneer Teeuwen, maar nooit eerder of later voor iemand anders? Waarom juist in de Nieuwe Leidsche Courant? We weten het allemaal niet.

Ten slotte: hoe zit het met het gat in bouwjaren tussen 1910 en 1936 dat we helemaal bovenaan constateerden? Waarschijnlijk zijn er veel meer schepen op deze werf gebouwd dan we weten. Dat komt omdat de scheepsmeters lang niet altijd de werf opschreven. Soms alleen de plaats van de werf, soms zelfs dat niet. Als we kijken naar de lijst sleepschepen (dus geen elevatoren, sleepboten of bakken) die ‘Maasstroom’ heetten zien we meer continuïteit – met overigens nog steeds een gat rond de Eerste Wereldoorlog.9Meekijken? Ga naar de liggers van de Scheepsmetingsdienst bij S2HO, vul bij Scheepsnaam in ‘Maasstroom’, bij Scheepstype ‘schip’ en bij Bouwjaar ‘tussen 1900 en 1940’. Dat laatste is begrijpelijk, zie mijn eerdere paragraaf over de conjunctuur in de binnenvaart.10In het artikel Schepen en Motoren op deze website. Overigens werden er ook Maasstroom schepen op andere werven gebouwd.

Nogmaals, we weten zo goed als niets. Er is verder geen snipper terug te vinden over deze scheepswerf: niet in archieven (althans, niet ontsloten), niet in artikelen, niet in ego-documenten. En dat voor een bedrijf dat minder dan een eeuw geleden kennelijk nog bloeide. Heel frustrerend!

De ‘N.V. Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij’

Bij het zoeken naar de Rotterdamsche Scheepswerf Maatschappij kwam ik een andere werf tegen, die juist in de metingen helemaal niet voorkomt: de ‘Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij’. Die werf bouwde kennelijk geen binnenvaartschepen, waarschijnlijk alleen zeeschepen. Ook dit lijkt geen heel grote werf geweest te zijn, maar er is wel wat meer over bekend.

Om te beginnen kwam ik een aandeel van deze werf tegen.11Website Roo’s oude effecten Daaruit blijkt dat de werf is opgericht op 12 september 1918, en dat het kapitaal (als alle aandelen volgestort waren) een miljoen gulden was, verdeeld over 1.000 aandelen van 1.000 gulden. Ook de naam van de directeur is terug te vinden: A. de Bakker. Die naam is interessant: er was net iets later, vanaf 1921 en ook in Rotterdam, een ‘Nieuwbouw en Scheepsreparatiebedrijf A. de Bakker’ actief. Heeft die De Bakker het vak geleerd bij de Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij? Of is de naamgelijkenis toeval? Er zijn meer hondjes die A. de Bakker heten.12Het stadsarchief in Rotterdam kent er in die periode maar twee en die komen beiden niet in aanmerking.

Afb. Aandeel R'damsche Scheepsbouw
Aandeel Rotterdamsche Scheepsbouw (Bron: Roo’s oude Effecten)

De werf bestond in ieder geval nog in 1922. Ik heb een advertentie gevonden in het toenmalige tijdschrift “Het Schip, Veertiendaagsch Blad voor Scheepsbouw en Scheepvaart” van 27 januari 1922.134e jaargang nummer 2, blader door naar Blz. 14 Daarin is zelfs sprake van twee werven: “Werf I Rotterdam / Werf II Gouderak”. Als kantooradres wordt Schaardijk 81 Rotterdam vermeld – vlak bij de huidige Van Brienenoordbrug, die er toen natuurlijk nog niet was. En verder: “Zeebouw tot 6000 ton D.W. en rivierschepen in elke soort en afmeting”. Let op het adres, dat is heel anders dan dat van de Rotterdamsche Scheepswerf Maatschappij:

Afb. Adbertentie
Advertentie Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij uit 1922

Die rivierschepen waren kennelijk niet heel succesvol, althans, er is er geen één gemeten. Over de hoeveelheid zeeschepen heb ik ook zo mijn twijfels. Als je wat over zeeschepen wilt weten is een eerste ingang de Maritiem Historische Databank (voor de ingewijden: MarHisData). Als je daarheen gaat en je zoekt op alles wat begint met ‘Rotterdamsche Scheepsbouw’ krijg je één resultaat:14Hiermee spring je rechtstreeks naar die pagina

Afb. Vindplaats in MarHistData
Resultaat van de zoekopdracht bij MarHistData

Verderop op dezelfde pagina staan de schepen die door deze werf gebouwd zijn (en bekend zijn bij MarHisData):

Afb.: Schepen bij MarHistData
De schepen gebouwd door de werf Rotterdamsche Scheepsbouw Mij

Dat is alles. Je kunt nog klikken op die groene plusjes, maar dan krijg je (in deze drie gevallen) nauwelijks meer informatie: de ‘IJsselstroom’ heeft bouwnummer 31, de ‘Mariquita’ heeft bouwnummer 32 en de ‘Marmevo’ heeft bouwnummer 84. Dat laatste is een raar getal, maar dat heeft misschien met die twee vestigingen te maken. Het gebeurde wel vaker dat de ene scheepswerf de andere overnam en dan gewoon doornummerde, hoewel de naam veranderd was.

De ‘IJsselstroom’ was een ongelukkig schip. Direct na de oplevering kregen de HSM (de reder) en de werf het aan de stok over extra kosten voor de bouw en achterstallige betalingen. Dat moest uiteindelijk door arbitrage worden opgelost.15Het archief van de HSM, inclusief de stukken over de arbitrage, is terechtgekomen in het Nationaal Archief. Het schip heeft maar drie jaar gevaren en is toen vergaan. Op de website Koopvaardij staat een kort verslag. De ‘IJsselstroom’ is op 29 september 1925, op weg van Lagos naar Amsterdam, gestrand bij Sinu voor de kust van Liberia en verloren gegaan.16Website koopvaardij Alle opvarenden zijn overigens gered.

Dan is het met de ‘Marmevo’ heel wat beter afgelopen. Dat schip is al in 1923 eerst naar Duitsland verkocht en in datzelfde jaar doorverkocht naar Argentinië. Na nog wat omzwervingen vinden we hem in 1966 terug als de ‘Alpaz’ in Uruquay. Pas in 1969 wordt hij uit de vaart genomen en in 1980 gesloopt. Ik heb al deze wijsheid van een Argentijnse website: “Historia y Arqueología Marítima” (Histarmar).17Histarmar over de Alpaz. Ga daar zeker even kijken: prachtige plaatjes!

Foto van de Alpaz
De ‘Madryn’ ex- ‘Marmevo’ laadt onder Argentijnse vlag vee op een rede (San Julian, Puerto Madryn of Rio Gallegos, Zuid Patagonië). Foto: Capitán Insanti, overgenomen met toestemming van Histarmar.

De ‘Mariquita’, het derde schip, is in 1929 verkocht naar Venezuela. In 1933 doorverkocht aan Shell Algerijë en in 1955 gesloopt.18Bron: MarHistData

Terug naar de werf. Drie schepen dus maar, gebouwd tussen 1921 en 1923. Ik ben bang dat de Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij kort daarna verdwenen is, zonder verdere sporen na te laten.

En uiteindelijk komen we ook hier weer een red herring tegen. De Nieuwe Leidsche Courant doet op 17 mei 1938 op de voorpagina verslag van de aankomst van de Nieuw-Amsterdam in New York, na de maidentrip vanuit Rotterdam.19Hier staat het hele verslag De overtocht is in recordtijd gemaakt. Ergens in het stukje staat:

Afb. Verslag maidentrip Nieuw-Amsterdam

Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij? Nee, de Nieuw-Amsterdam is toch echt gebouwd bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij! En zo komt ook die werf toch nog even langs.20Een moderne eindredacteur zou ook erg knorrig worden over hoe deze journalist zijn komma’s rondstrooide!

Conclusie

Tussen beide Wereldoorlogen waren er in Rotterdam twee betrekkelijk kleine werven met bijna dezelfde namen: de ‘N.V. Rotterdamsche Scheepswerf Maatschappij’ en de ‘N.V. Rotterdamsche Scheepsbouw Maatschappij’.

De eerste, de Scheepswerf dus, heeft bestaan van tenminste 1909 tot tenminste 1936, als we de metingen mogen geloven. We weten ook dat hij gevestigd was aan de Nesserdijk. Er zijn in die 27 jaar slechts vier gemeten binnenvaartschepen gebouwd – waarschijnlijk meer, maar de werf wordt in de metingen niet altijd bij naam genoemd. Dat is alles wat we van de werf weten. Opvallend is dat al die schepen werden afgenomen door een holding die de Rotterdamsche Scheepvaart Maatschappij heette. Ik vermoed dat daar dezelfde financiers achter zaten – maar ik krijg mijn zaak niet rond, zoals dat heet.

De tweede werf, de Scheepsbouw, heeft kennelijk helemaal geen binnenvaartschepen gebouwd – althans geen schepen die in Nederland gemeten zijn. Deze werf zat aan de Schaardijk 81 in Rotterdam. Hij heeft waarschijnlijk maar kort bestaan: de aandelenuitgifte was in 1919 en er zijn drie schepen bekend die bij deze werf gebouwd zijn, uit de periode 1921 – 1923. Ook over deze werf is niet veel meer bekend.

De eindconclusie is dat deze twee werven met bijna dezelfde namen niets met elkaar te maken te hadden.


Als u meer van een van beide werven weet hoor ik het graag op het e-mailadres metingen[at]s2ep2.nl .